Ontdek, proef en beleef het platteland van morgen
/gratis-abonnement
Denk-pistes

Uit de oude doos: Witteren: rijke waters, golvend gras …

Het volledige verhaal lees je op de website van het Centrum Agrarische Geschiedenis.

Het bevloeien van grasland is een eeuwenoude landbouwtechniek, waarbij stromend water via sloten en greppels tot op het grasland wordt geleid met de bedoeling de groei te bevorderen en de (hooi)opbrengst te verhogen. Er wordt enkel gebruik gemaakt van de zwaartekracht en de natuurlijke stroming, zonder inzet van pompsystemen. Door bevloeiing, dat vooral in de winter en het voorjaar gebeurde, werd bevriezing verhinderd, ongedierte bestreden, de bodemstructuur verbeterd en mineraalrijk slib aangevoerd. In grote delen van Europa werd grasland vanaf de vroege middeleeuwen tot diep in de twintigste eeuw bevloeid, ook in België.

Door het gebruik van kunstmest en door de opkomst van moderne landbouwmachines en -technieken verdwenen deze praktijken grotendeels.
Gelukkig heeft de reflex tot landschaps- en natuurbehoud een aantal vloeiweiden voor verder verval kunnen behoeden, omwille van het historisch en ecologisch belang van deze cultuurlandschappen. Een zeer goed bewaard restant waar de bevloeiingspraktijk nog jaarlijks wordt toegepast op relatief grote schaal, vinden we in Lommel-Kolonie.

Claudite iam rivos pueri sat prata biberunt (Sluit de sluizen, jongens, want de weiden hebben genoeg gedronken), dichtte Vergilius in de 1ste eeuw v.C. Dit spreekwoord leert ons dat de Romeinen technieken van weidebevloeiing kenden. Over de bevloeiing van grasland in de oudheid is weinig geweten. De recentere geschiedenis van bevloeiing in beddenbouw is wel in grote lijnen bekend.

De eerste geschreven bronnen over bevloeiing in beddenbouw dateren van 1138 en werden gevonden in de cisterciënzerabdij van Chiaravalle Milanese. Het oorspronkelijk drassige land van de Povlakte werd gedraineerd en omgevormd tot vloeiweiden in beddenbouw.

Andere kloosterorden en grootgrondbezitters volgden hun voorbeeld. In de late middeleeuwen kende de bevloeiing van grasland een eerste bloeiperiode. Vloeiweiden die toen zijn aangelegd, doorstonden vaak de tand des tijds en werden gebruikt tot ver in de twintigste eeuw.

Er waren vloeiweiden langs de Dommel, de Laak, de Zwarte beek, de Nete, de A-beek, de Itterbeek, de Demer, De Stiemerbeek, de Bosbeek en de Laambeek. Met moderne technieken zoals LIDAR (Laser imaging detection and ranging), ook Digitaal Hoogtemodel genoemd, kunnen oude bevloeiingsbedden zichtbaar gemaakt worden.

Na de middeleeuwen kende de weide-irrigatie een tweede gouden tijd in de negentiende eeuw. Grootgrondbezitters, adellijken en beleidsverantwoordelijken kregen belangstelling voor een landbouwtechniek waarmee op korte tijd grote oppervlakten braakgrond konden omgevormd worden in vruchtbaar hooiland.
In Duitsland werd de Siegenländer Wiesenbau een begrip en Siegen werd een van de centra van de Duitse weidebevloeiing. Er werden Wiesenbauschule opgericht, waar weidemeesters werden opgeleid om in het hele land en daarbuiten de techniek te verspreiden.

Voor deze sterke uitbreiding van het vloeiweide-areaal zijn meerdere verklaringen: de toenemende vraag naar hooi als energiebron voor de paarden, omschakeling van zelfvoorzienende naar commerciële landbouw, betere transportmogelijkheden, voedselcrisis en hoge graanprijzen, evenals het toenemende bevolkingsaantal vergrootten in Europa de vraag naar productieve landbouwgronden.

In Europa werden een viertal bevloeiingsmethoden toegepast. Op een aantal plaatsen worden ze nog steeds gebruikt: onderstuwing, inzijging, hellingbouw en beddenbouw.
Bij overwatering of onderstuwing wordt het te bevloeien perceel omringd met een aarden wal. Het water, dat naar binnen wordt geleid vanuit een naburige beek of sloot, zet het grasland korte tijd onder water. Bedoeling is om het slib te laten bezinken, ter bevordering van de vruchtbaarheid. De Hooidonkse beemden in de vallei van de Tappelbeek in het Zoerselbos in Zoersel waren hiervan een goed voorbeeld.

Een nog actief overblijfsel van deze methode is te vinden in landgoed Het Lankheet (Haaksbergen, Nederland). Ook in de Rhônedelta in Zuid-Frankrijk worden nog elk jaar uitgestrekte grasvelden meermaals overwaterd om het bekende foin du Crau te winnen, hooi dat erg gegeerd is door paardenliefhebbers.

Bij het bevloeien door inzijging of doorzijging wordt het te bevloeien, licht hellende oppervlak verdeeld in kleinere percelen die gescheiden zijn door greppeltjes. Die staan in verbinding met een beek of sloot, voorzien van watervangen en stuwen. Het water kan dan via dit netwerk van greppeltjes horizontaal doorsijpelen in de bodemlaag van het grasland en via capillariteit tot bij de plantenwortels geraken.

In de Oberaargau in Zwitserland zijn dergelijke bevloeiingen nog in werking. Deze wässermatten van Langenthal waren reeds aanwezig vóór de dertiende eeuw en werden door de cisterciënzermonniken van St. Urban systematisch verder ontwikkeld.

Op (sterk) hellende percelen wordt aan bevloeiing gedaan door toepassing van hellingbouw of hangbouw. De hoger gelegen, kunstmatige of natuurlijke waterloop wordt afgedamd en het water wordt afgeleid in een gracht die het naar het te bevloeien perceel voert. Deze sloot loopt nagenoeg horizontaal.
Evenwijdig aan deze gracht zijn greppels gegraven op regelmatige afstand onder elkaar en eveneens bijna waterpas. Het water in de afleidingsgracht wordt opgestuwd en één na één lopen de lager gelegen greppels over terwijl het grasland bevloeid wordt.

Bevloeiingswerken die tot de verbeelding spreken zijn zeker die van Wallis in Zwitserland, waar de praktijk nu nog wordt toegepast dankzij de suonen, de eeuwenoude bevloeiingskanalen.
Ook in andere reliëfrijke streken van Europa werd deze wijze van bewatering veelvuldig gebruikt. Zo spreekt men in de Eifel van flüchswiesen of flüxwiesen. In de Ardennen wordt de term abissage gebruikt en in Noord-Portugal zijn de lameiros zeer gekend.

Om zeer licht hellende tot horizontale percelen te bevloeien werd beddenbouw of ruggenbouw toegepast. Het is de meest arbeidsintensieve en duurste methode van weidebevloeiing.
Het oppervlak is aangelegd in rugvormige bedden en het water wordt via sloten, watervangen en stuwen zo geleid dat greppels (in de Kempen spreekt men van bovenzoeven of bovenzouwen) boven op de ruggen kunnen vollopen. Van hieruit kan het water aan weerszijden, op de hellingen afvloeien naar de greppeltjes tussen twee bedden (onderzoeven). Dan wordt het afgevoerd.

Op die manier kunnen vocht en mineralen afgezet worden tussen de wortels van het gras en de andere planten. Het altijd bewegende, zuurstofrijke water bevordert de opname van voedende bestanddelen en mineralen.

Het bevloeien in beddenbouw noemt men in de Kempen witteren of weteren. Een reeks bevloeide percelen samen vormen een watering. Omwille van het vlakke reliëf van het noordelijke deel van de Kempen werkten bijna alle aangelegde vloeiweiden volgens dit principe.

Grote delen van de Kempense wateringen zijn verdwenen. Slechts weinigen kunnen nog vertellen hoe er vroeger gewitterd werd; hoe het Maaswater vanuit het kanalenstelsel over de graslanden vloeide ter bevordering van de grasgroei.

De begrippen watering en vloeiweide behoren tot de geschiedenis indien datgene wat nog rest niet bewaard en beheerd wordt. In Lommel zijn door vrijwilligers van Natuurpunt op een relatief grote oppervlakte de irrigatieweiden in de oorspronkelijke staat hersteld en de bevloeiingsactiviteiten hernomen.

Sinds juni 2019 is het witteren opgenomen op de Inventaris Vlaanderen voor immaterieel cultureel erfgoed. Klik hier voor meer informatie.

Bronvermelding foto: ©Treiber, Gisa (fotograaf), Collectie Umweltamt Stadt Nürnberg
 

Lees nog artikels met volgende tags

bevloeien, witteren, irrigatie, cag
Aangemaakt op 12:24 27/08/2019 Laatst aangepast op 15:19 29/08/2019