Ontdek, proef en beleef het platteland van morgen
/gratis-abonnement
Denk-pistes
Dorsmachine aangedreven door een externe stoommachine in Givry, uit Musée de la Photographie, Archives de la Wallonie

Uit de oude doos: evolutie van kracht in de landbouw

Werktuigen en machines behoren al eeuwenlang tot de standaarduitrusting van elk landbouwbedrijf. Er is echter kracht nodig om een tuig in beweging te brengen. Die krachtbron heeft een indrukwekkende evolutie ondergaan. Van menselijke handen en voeten over paard en hond tot stoomlocomobiel en uiteindelijk alles-in-één machines. Enkele weetjes en belangrijke mijlpalen:

  • Tal van handelingen op het veld bleven tot ver in de 20ste eeuw steunen op manuele kracht. In de graanteelt liep de boer al zaaiend met de hand over het veld. Met velen tegelijk werd het graan met pik en pikhaak gemaaid. Het vlas werd letterlijk met de hand uit de grond getrokken.
     
  • Bijzonder was het eggen van het gezaaide vlas. Om de zorgvuldig bewerkte akkers zo weinig mogelijk te beschadigen, werden vaak jonge krachten ingezet die blootsvoets de lichte eg moesten voorttrekken. Tot na WO II was dit niet uitzonderlijk.
     
  • Voor het leveren van trek- en aandrijfkracht was de inzet van dieren onontbeerlijk. Hier waren dat vooral (trek)paarden en runderen. Uitzonderlijk werd ook wel een (muil)ezel of, iets couranter, een hond ingeschakeld.
     
  • Gemiddeld levert een os driekwart van het vermogen van een paard, bij een koe ligt dat nog lager. Tot in de jaren 1940 was het niet uitzonderlijk dat een koe op kleine bedrijven arbeid leverde.
     
  • Het rendement van een paard werd bepaald door zijn gewicht. Een paard van goed 500 kg bereikte per werkdag van 10 uur een dorshoeveelheid van ongeveer 12 hl tarwe of ongeveer 3 ton graan, een zwaarder paard van meer dan 600 kg verwerkte in diezelfde periode meer dan 20 hl en zowat 4,5 ton graan.
     
  • De hond werd als aandrijfkracht alleen gebruikt voor de hondentredmolen. Die was vanaf het begin van de 19de eeuw tot WO I vrij algemeen in onze regio verspreid. Het werd bijna uitsluitend gebruikt voor het karnen van de melk tot boter, een werk dat ongeveer een uur duurde. De hond die hiervoor werd ingeschakeld kreeg vaak de naam ‘boterhond’ mee.
     
  • Midden 19de eeuw was de stoommachine betrouwbaar geworden. Zijn kracht oversteeg die van alle vroegere aandrijfbronnen. Maar in de landbouw was het gebruik van een stoommachine niet vanzelfsprekend: er moest water voor verhit worden door steenkool, en de opstart duurde enkele uren.
     
  • De locomobiel, vaak duvel genoemd, was in feite een stoommachine op vier stevige wielen. In de landbouw werd de locomobiel vooral gebruikt door loondorsers die met hun tuig van boerderij tot boerderij trokken. Tot diep in de jaren 1920 was de locomobiel een vertrouwd beeld op het Belgische platteland.
     
  • Einde 19de eeuw verscheen ook de brandstofmotor op het toneel. De brandstof was benzine, diesel of petroleum, tot (vervuilde) olie en biobrandstof gewonnen uit suikerbieten, suikerriet of graan.
     
  • Voor het gebruik van elektriciteit als aandrijfkracht in de landbouw moest een elektriciteitsnetwerk uitgebouwd worden. Vanaf de jaren 1930 was het gros van het platteland op het netwerk aangesloten. Maar bijvoorbeeld in West-Vlaanderen was in 1946 nog steeds 7 procent van alle huishoudens níet voorzien van elektriciteit.
     
  • De relatief lage kostprijs, het onderhoudsgemak en het afdoende vermogen maakten elektriciteit snel populair. Maar doordat er slordig mee omgegaan werd, was kortsluiting – met mogelijk brandgevaar of elektrocutie – in de beginjaren een veel voorkomend probleem.
     
  • De eerste generatie tractoren leverde alleen trekkracht op het veld. Dat veranderde door de introductie in de jaren 1920 van de aftakas. Daarmee werd de tractormotor als aandrijfbron gekoppeld aan het tuig dat door de tractor werden gedragen of voortgetrokken.
     
  • In eerste instantie bestond alleen de doordraaiende aftakas. Dat betekende dat zolang de (tractor)motor draaide – ook in stilstand – het tuig werkte. Dat leverde onveilige en weinig praktische situaties op. In het midden van de jaren 1930 werd de onafhankelijk doordraaiende aftakas geïntroduceerd. Vanaf dan kon het tuig apart aan- en afgezet worden als de tractormotor draaide.
     
  • Tot in de jaren 1940 werd de tractor in de Belgische landbouw misschien wel meer ingezet voor stationaire arbeid dan voor de trekarbeid op het veld. Klassieke voorbeelden van tuigen gebruikt voor stationaire arbeid zijn de bietensnijder, de hakselmachine, de karnton of de ontromer. Vóór de introductie van de tractor werden hiervoor man, paard, rund of hond ingezet. Menig boerenkind heeft vele uren mogen draaien aan de wanmolen om het gedorste graan te reinigen.
     
  • Vanaf de jaren 1950 zette ook de Belgische landbouw de stap naar geïntegreerde tuigen op het veld. Spectaculair in dit verband was de lancering van de maaidorsmachine. In plaats van maaien, dorsen en transport in diverse stappen gebeurden nu alle bewerkingen met één machine.
 

Tip: lees ook ons boekje ‘Terug in de tijd met Veldverkenners’. Daarin vind je behalve weetjes over de technische evolutie van de landbouw in onze regio ook weetjes over het (Europees) landbouwbeleid, het dieet van de ‘gewone man’ en de evolutie van onze koopkracht. Dat alles mooi en overzichtelijk vormgegeven, in een handige tijdlijn. Een papieren exemplaar bestellen kan nog steeds via .

 

Het volledige verhaal ‘Met vereende krachten. Aandrijving van werktuigen in de landbouw’ lees je op de website van het Centrum Agrarische Geschiedenis: www.HetVirtueleLand.be

In de reeks ‘Uit de oude doos’ haalt Veldverkenners in samenwerking met het Centrum Agrarische Geschiedenis elke twee maanden een oude foto, met een verhaal dat verbazend actueel is, van onder het stof. 

Lees nog artikels met volgende tags

uit de oude doos, tractor, landbouw, geschiedenis, Terug in de tijd, boekje
Aangemaakt op 11:18 06/04/2017 Laatst aangepast op 11:18 06/04/2017