Ontdek, proef en beleef het platteland van morgen
/gratis-abonnement
Denk-pistes

Vergroening van het landbouwbeleid: welke maatregelen kan je zelf toepassen in je tuin?

 

De Europese beleidsmakers hebben in de laatste herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) een aantal vergroeningsmaatregelen geïntroduceerd, die de milieu-impact van landbouw op Europees niveau moeten verkleinen en het maatschappelijk draagvlak voor de bijbehorende uitgaven moeten verhogen. Concreet kunnen land- en tuinbouwers een vergroeningspremie ontvangen wanneer zij aan drie klimaat- en milieuvriendelijke eisen voldoen. Wij als tuineigenaars kunnen ongetwijfeld iets leren uit die vergroeningsmaatregelen. Want waarom zouden land- en tuinbouwers hun percelen milieuvriendelijk moeten beheren, en wij niet? Enkele goede praktijken om zelf mee aan de slag te gaan.

 

 

1. Ecologisch aandachtsgebied

Land- en tuinbouwers die meer dan 15 hectare bouwland bewerken, moeten een deel (minstens 5 procent*) daarvan inrichten als ecologisch aandachtsgebied. Die maatregel is in het leven geroepen om het verlies aan biodiversiteit in Europa een halt toe te roepen. Enkele praktijken die voor boeren als ecologisch focusgebied meegerekend worden (*hoe het areaal precies berekend wordt, met omzettings- en wegingsfactoren, besparen we je) en ook interessant kunnen zijn voor jou als tuineigenaar, zijn deze: 

  • Groenbedekkers inzaaien op blote plekken in de moestuin na de oogst, onder bomen of in de siertuin. Die gewassen bedekken de bodem, waardoor je minder last hebt van onkruid, nemen nutriënten op in de bodem en geven die weer af aan het vervolggewas, vermijden erosie, enzovoort. De lijst van groenbedekkers waarmee land- en tuinbouwers mogen werken in dit kader, vind je hier
     
  • Vlinderbloemige gewassen telen, zoals erwten, tuin- en veldbonen, niet-bittere lupinen, eenjarige klaver, meerjarige klaver, rode klaver, eenjarige luzerne, meerjarige luzerne, een mengsel en wikke. Die gewassen nemen stikstof (een broeikasgas) uit de lucht en fixeren het in de bodem. Op die manier vormen ze een belangrijk wapen in de strijd tegen de klimaatopwarming. Bovendien kunnen ze gebruikt worden als lokale eiwitbron voor dieren en vragen ze weinig bemesting en gewasbescherming.
     
  • Land braak laten liggen of inzaaien met een biodiversiteit bevorderend (wild)bloemenmengsel, faunamengsel of gewas dat niet geoogst wordt, én dat land niet of zo weinig mogelijk bemesten en behandelen met gewasbeschermingsmiddelen.
     
  • Houtkanten, bomen in groepen met overlappende kruinen en poelen en vijvers (zonder wanden uit plastic of beton) aanleggen. Dit net als alle bovenstaande praktijken om de biodiversiteit in je tuin en de omgeving te bevorderen.
     
  • De teelt van groenten met die van hout combineren (boslandbouw). Met andere woorden: bomen in de moestuin integreren. Het verlies dat je lijdt door schaduwvorming wordt gecompenseerd door verschillende voordelen: een bodem die vruchtbaarder is en beter water kan bergen, minder erosie, meer nuttige insecten en dus minder plagen, beschutting tegen wind en regen, en hout dat gebruikt kan worden als biomassa. Je kiest wel best voor bomen waarvan de wortels niet in concurrentie treden met die van de gewassen en de bladeren niet te vroeg vallen. Meer info over boslandbouw vind je hier

 

akkerrand-bloemen-bis.jpg

Beeld: unsplash

 

 

2. Gewasdiversificatie en teeltrotatie

Land- en tuinbouwers die meer dan 10 hectare (subsidiabel areaal) bouwland bezitten, moeten daar minstens 2 of 3 (vanaf 30 ha) verschillende groepen gewassen op telen. Dit moet ervoor zorgen dat de bodem in goede conditie blijft, en niet uitgeput raakt door monocultuur. Gewassen van dezelfde familie of groep hebben immers een soortgelijke groei en beworteling, nemen dezelfde voedingsstoffen op uit de bodem en zijn gevoelig voor soortgelijke ziekten en plagen. Door ze jaren na elkaar te telen, wordt met andere woorden telkens hetzelfde uit de bodem gehaald zonder dat het opnieuw wordt aangevuld. En dat is vragen om problemen…  

Een overzicht van de verschillende teeltgroepen die gelden voor land- en tuinbouwers vind je hier. Wat kan jij als tuineigenaar daaruit leren? Welke gewassen je best niet na elkaar plant of zaait. Meer tips in verband met teeltrotatie in de moestuin vind je hier

 

tuin-bis.jpg

Beeld: kallejipp - photocase.com

 

 

3. Blijvend grasland

Een laatste vergroeningsmaatregel in het nieuw Europees landbouwbeleid is het behoud van blijvend grasland. Dit om te vermijden dat vastgelegd koolstof in dat grasland opnieuw vrijkomt in de atmosfeer (als CO2, een broeikasgas) wanneer het land omgeploegd wordt. Bovendien genieten sommige percelen blijvend grasland door de aanwezige fauna en flora een bijzondere bescherming als ecologisch kwetsbaar gebied. Voor die graslanden gelden bovenop een ploegverbod ook een bemestings- en spuitverbod.  

Blijvend grasland? Grasland krijgt het statuut blijvend grasland als het gedurende vijf opeenvolgende jaren begroeid is/was met gras of andere kruidachtige voedergewassen (grasluzerne, grasklaver of braakland). Begin deze eeuw kreeg elke landbouwer een referentie-oppervlakte permanent grasland toegewezen op basis van de situatie op dat moment. Elk jaar moeten ze bewijzen dat ze die oppervlakte op bedrijfsniveau aanhouden. Dit wil evenwel niet zeggen dat ze nooit blijvend grasland kunnen omzetten (scheuren) in bouwland, want ze mogen een perceel wel verplaatsen: hier scheuren en daar inzaaien. Wanneer ze zo’n perceel verleggen en dus elders inzaaien, moeten ze wel opnieuw de vijf jaar-regel in verband met blijvend grasland respecteren. Dat wil zeggen dat ze het nieuwe perceel grasland gedurende minstens vijf jaar niet mogen scheuren of omploegen.

Verder kunnen landbouwers met blijvend grasland extra verplichtingen opgelegd worden, afhankelijk van het Vlaams ratio blijvend grasland dat seizoen (de verhouding van het areaal blijvend grasland ten opzichte van het totale areaal landbouwgrond). Elk jaar wordt dat ratio vergeleken met de referentie uit 2015. Is het meer dan 5 procent gedaald, dan kan van de betrokken land- en tuinbouwers geëist worden dat ze geen blijvend grasland scheuren of ploegen en gescheurde percelen zelfs gedeeltelijk of volledig heraanleggen. Meer info daarover vind je hier.  

Wat kan je hier als tuineigenaar uit leren? Dat je gazon een zekere waarde heeft in de strijd tegen de klimaatopwarming. Vaak wordt gazon beschouwd als een tuinelement ‘zonder natuurwaarde’ of toch als minder interessant voor de biodiversiteit, omdat het bijvoorbeeld weinig aantrekkelijk is voor bijen en vlinders. Maar intussen weten we dat de capaciteit van de koolstofopslag in onze private tuintjes niet onderschat mag worden, alleen al omdat die tuinen samen 8 procent van het totale Vlaamse grondgebied uitmaken. Bovendien kan je je gazon wél interessant maken op vlak van biodiversiteit, door minder te maaien en te bemesten. Zo krijgen kruiden en bloemen een kans. Tips voor een waardevoller gazon vind je hier

 

gazon-grasmachine-bis.jpg

Beeld: unsplash

 

 

En verder: Agromilieu- en klimaatmaatregelen

Een andere beleidsmaatregel voor land- en tuinbouwers waar je als particulier iets uit kan leren, zijn de agromilieu- en klimaatmaatregelen op Vlaams niveau. Boeren worden aangemoedigd om vrijwillig bepaalde milieu-, klimaat- en natuurvriendelijke landbouwpraktijken in te voeren, waarvoor ze een vergoeding krijgen.

Enkele praktijken die interessant kunnen zijn voor tuineigenaars:

  • De teelt van vlinderbloemigen als inlandse eiwitbron voor dieren: veehouders kunnen een deel van de eiwitbehoefte van hun dieren invullen door zelf klaver, grasklaver of luzerne te telen. Hierdoor worden ze minder afhankelijk van externe eiwitbronnen zoals soja, die bovendien een negatieve invloed hebben op ons klimaat (boskap en lang transport). Vlinderbloemigen fixeren daarenboven stikstof uit de lucht in de bodem, waardoor die minder bemesting nodig heeft en er minder stikstofdioxide (een broeikasgas) vrijkomt in de atmosfeer. Zoals je ziet komt de teelt van vlinderbloemigen regelmatig terug als het gaat over klimaat- en milieuvriendelijke maatregelen. Voorzie ze dus zeker in je tuin.  
     
  • Mechanische onkruidbestrijding: geen gebruik van herbiciden en bodemontsmettingsmiddelen maar mechanische methoden om onkruid te bestrijden. Dit heeft een positief effect op de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater en op de biodiversiteit in de omgeving. Tips om onkruid in je tuin te bestrijden zonder chemische middelen te gebruiken, vind je hier
     
  • Het gebruik van verwarrings- en andere technieken in de fruitteelt: bij de (feromoon)verwarringstechniek worden plaatjes met een geurstof (feromoon, de geur waarmee vrouwtjes de mannetjes lokken) in de fruitbomen gehangen, om schadelijke insecten (fruitmot en bladrollers) te ‘verwarren’ bij hun zoektocht naar een paringspartner. Doordat ze elkaar niet vinden, kunnen ze zich niet voortplanten, en wordt het mogelijk om hun populatie in de fruitboomgaard op termijn met minder spuitbeurten onder controle te houden. Toepassing van deze techniek kan met andere woorden het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen in de fruitteelt aanzienlijk doen dalen. In eigen tuin zal je waarschijnlijk geen feromoonplaatjes hangen, maar je kan wel leren uit enkele andere trucjes die fruittelers gebruiken. Zo hangen zij nestkasten op voor roofvogels om woelratten te bestrijden en voorzien zij nestplaatsen voor oorwormen om bladluizen, perenbladvlo en wollige bloedluis te vermijden. Oorwormen houden van bamboebussels, zwarte plastiekzakjes met stro, aardewerken bloempotten met stro en ribkarton in drinkbekertjes om in te schuilen. Je hangt ze omhoog vanaf april, op de plaats waar de onderste dikke boomtakken vertrekken aan de tam. Ten slotte planten fruittelers hagen rond of in de buurt van hun boomgaard, om allerlei andere nuttige insecten aan te trekken. Ook het aanleggen van een bloemenweide onder je fruitbomen kan om die reden interessant zijn.  
     
  • Het behoud van lokale schapenrassen: sommige lokale rassen zijn met uitsterven bedreigd omdat het economisch gezien interessanter is om productievere rassen te houden. Het behoud van de genetische diversiteit en een levende genenbank is nochtans omwille van verschillende redenen belangrijk. Specifiek gaat het om Ardense Voskop, Belgisch melkschaap, Entre-Sambre-et-Meuse schaap, Houtlandschaap, Kempens schaap, Lakens schaap, Mergellandschaap, Vlaams Kuddeschaap en Vlaams schaap. Wie schapen wil houden in zijn tuin, kiest bij voorkeur voor zo’n lokaal ras. Vaak zijn ze trouwens robuuster dan de meer commerciële rassen, en dus minder gevoelig aan ziekten. 
     
  • Botanisch beheer van grasland om een diversiteit aan grassen en kruiden in stand te houden of te ontwikkelen. Door geen bestrijdingsmiddelen, meststoffen en bodemverbeteraars te gebruiken en een specifiek maai- en beweidingsregime te volgen, kan je je gazon waardevoller maken. Hierboven verwezen we al naar deze tips.
     
  • Herstel, ontwikkeling en onderhoud van hagen, heggen, houtkanten en knotbomen. Deze vormen een geschikt leefgebied voor allerlei dieren, creëren een gunstig microklimaat voor de nabijgelegen gewassen, bieden beschutting voor vee, dragen bij tot de bestrijding van erosie, enzovoort. Ook in je tuin. 
 
 
schaap-bis.jpg
Beeld: unsplash
 
 

Meer info over deze en andere agromilieu- en klimaatmaatregelen vind je hier.

Meer info over de vergroening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid vind je hier.  

Aangemaakt op 13:52 12/04/2016 Laatst aangepast op 12:01 25/05/2016