Ontdek, proef en beleef het platteland van morgen
/gratis-abonnement
Denk-pistes

Uit de oude doos: vlees, een luxeproduct

Over vlees is de jongste jaren al veel gezegd en geschreven. We zouden te veel vlees produceren en te veel vlees consumeren, iets wat in het licht van de klimaatverandering en de verwachte bevolkings- en welvaartsgroei onverantwoord zou zijn. Want wat als al die extra ‘gegoede’ mensen ons voedselpatroon (met vlees) zouden overnemen?

Vlees op het menu is in onze regio natuurlijk ook niet altijd een evidentie geweest. In de 18de en 19de eeuw bijvoorbeeld was vlees nog een grote luxe, voornamelijk voorbehouden voor de stedelijke bevolking. Je hoort vaak zeggen dat de kloof tussen stad en platteland een evolutie is van de laatste decennia, maar ook in de 18de en 19de eeuw was die er al. Onze foto uit de oude doos van deze week (prent uit 1924) illustreert dat mooi.

Maar in die periode was vlees dus ook hier een luxeproduct. De gemiddelde Belg at midden 19de eeuw vooral brood, aardappelen en wat groenten, aangevuld met zo’n 18 kilogram vlees. Anderhalve eeuw later ziet zijn voedselpatroon er helemaal anders uit, met gemiddeld 30 kilogram vlees, 121 kilogram groenten en fruit (vers en bereid) en ongeveer 30 kilogram aardappelen. Sinds midden 20ste eeuw is vlees bovendien niet meer zozeer een product van de burgerij, maar van de lagere klassen. In de jaren ’20 en ’30 begon die burgerij immers meer en meer voor ‘verfijning’ te kiezen. De eerste oproepen om minder of geen vlees te eten waren toen al te horen. Een soort vegetarisme 'avant la lettre'. En zo ontstond er natuurlijk een omkering van het sociale statuut van vlees. De liefhebbers en grote verbruikers situeren zich vanaf het Interbellum en zeker na de Tweede Wereldoorlog bij de sociale klassen, die vroeger weinig of geen vlees konden eten.

 

uit-de-oude-doos-lekker-die.jpg

 

Meer weetjes over ons vleesgebruik en onze vleesproductie door de eeuwen heen:

  • Tijdens de Belle Epoque verdubbelde de consumptie van eieren en de befaamde 'Poulets de Bruxelles' vonden gretig afzet op de rijke stedelijke tafels. Jefke Kiek uit Londerzeel leverde zo via de sneltrein Brussel - Oostende driemaal per week Mechelse Koekoeken en Braekelse haantjes in Londen. Tot ruim voorbij de Tweede Wereldoorlog bleef kip een luxueus product dat in de meeste families maar zelden op tafel kwam.
  • De industrialisering van de voedingsnijverheid brak na de Tweede Wereldoorlog sterk door. Voedsel werd gevoelig goedkoper, omdat grootschalige standaardproductie steeds meer tot de mogelijkheden behoorde. Als rond 1950 voeding nog gemiddeld bijna 35 procent van het budget opslorpte, was dat een decennium later nog maar 25 procent. 
  • De Belgische veeteelt boomde vanaf de jaren ‘50, met de kippenteelt voorop. Het aantal kippen steeg van 27 miljoen in 1927 tot bijna 43 miljoen in 1970 en liep nadien een beetje terug. Ook het aantal varkens steeg. In 1962 telde België al meer dan dubbel zoveel varkens als voor de oorlog en tegen 1970 verdubbelde die varkensstapel nogmaals. Het aantal runderen ten slotte was tegen 1970 ook al bijna dubbel zo groot als voor de oorlog.
  • Er wordt dus steeds meer geproduceerd, maar dit met steeds minder boeren. Tussen 1930 en 1947 zegden meer dan 200.000 landbouwers hun stiel vaarwel en in de jaren ’50 volgden er nog eens 70.000.
  • Het varken van 1900 en dat van vandaag zijn slechts verre verwanten. Het premoderne varken bestond maar voor 35 procent uit vlees. De ingewanden werden verwerkt tot charcuterie, de rest waren botten en vet spek. Maar dit veranderde wanneer in het Waalse dorpje Piétrain een landbouwconsulent bij de plaatselijke beenhouwer uitzonderlijk mager spek aantrof, afkomstig van een lokale varkenskweker. Dat ‘Piétrainras’ met zijn dikke billen verwierf wereldfaam en zijn genen werden wereldwijd ingekruist. Zo werd het ras bijvoorbeeld gekoppeld aan het Belgische Negatief ras, dat geen last heeft van stress. Het resultaat is een dikbil met een gerust geweten, dat voor 50 tot 60 procent uit mager vlees bestaat. Net wat de consument het liefste heeft. 
  • Onze vleesconsumptie is in de 20ste eeuw steeds meer toegenomen. De grootste stijging deed zich voor tijdens de 'golden sixties' en 'silver seventies'. En ook het type vlees dat we eten is geëvolueerd. We eten nu ietwat minder rundvlees dan 50 jaar geleden, maar wel veel meer kippenvlees (vervijfvoudigd!), varkensvlees (verdubbeld!) en charcuterie.

 

Het volledige verhaal ‘Lekker Dier!? Dierlijke productie en consumptie in de 19e en 20ste eeuw’ lees je op de website van het Centrum Agrarische Geschiedenis: www.HetVirtueleLand.be.

In de reeks ‘Uit de oude doos’ haalt Veldverkenners in samenwerking met het Centrum Agrarische Geschiedenis elke twee weken een oude foto, met een verhaal dat verbazend actueel is, van onder het stof. 

Lees nog artikels met volgende tags

vlees, uit de oude doos, kloof tussen platteland en stad
Aangemaakt op 12:10 12/07/2013 Laatst aangepast op 15:57 19/09/2013