Ontdek, proef en beleef het platteland van morgen
/gratis-abonnement
Denk-pistes

Uit de oude doos: Veeartsenij in de tweede helft van de vorige eeuw

Onderstaand themaverhaal is een compilatie van het boek Stories uit de stal van Katrien Vervaele, waarin 12 veeartsen op rust vertellen over hun stiel in de tweede helft van de 20ste eeuw. Het volledige verhaal lees je op de website van het Centrum Agrarische Geschiedenis.

Veearts is een zwaar beroep. Is het nu weekend of weekdag, dag of nacht: elke oproep is belangrijk. Zeker in de periode van de keizersneden, van de maand februari tot mei, zijn veeartsen voortdurend aan de slag. Tegenwoordig organiseren veeartsen zich vaak in associaties, waarbij ze elkaar aflossen, maar tot in de jaren ‘80 was dit eerder uitzonderlijk en werkten veeartsen veelal individueel.

Daarom kozen sommige veeartsen op een bepaald moment voor de veekeuring. Het was minder stresserend, maar ze misten ook wel het werk als veearts. Velen combineerden beide. Anderen deden ook expertises voor verzekeringsmaatschappijen erbij. Veearts was ook zeker tot in de jaren ’60 in België een hoofdzakelijk mannelijk beroep. Pas eind de jaren ’50 studeerden de eerste vrouwelijke veeartsen af.

De meeste boeren hadden tot in de jaren ‘60 nog geen telefoon. Als ze de veearts nodig hadden, gingen ze hem halen, ofwel belden ze vanuit het gemeentehuis, een café of een nabijgelegen boerderij waar ze met de aanschaf van een telefoon hun tijd vooruit waren. In de jaren ‘70 kwam de semafoon op waardoor het al gemakkelijker was om de veearts te bereiken. Maar hij moest toch telkens terugbellen naar zijn vrouw om te horen wat het probleem was. Met de zenders in de jaren ‘80 was het nog wat gemakkelijker. Via een soort codetaal kon zijn vrouw hem duidelijk maken naar welke boer hij moest gaan en waarvoor. Tegenwoordig heeft de gsm dit probleem volledig opgelost.

Voor de veearts die tot in de jaren ‘60 in bloot bovenlijf de verlossingen deed, was de introductie van de rubberen kiel een zegen. Ook wegwerphandschoenen verhoogden het comfort en de hygiëne. Zonder die handschoenen gingen wondjes ontsteken.

Ook de medicatie evolueert

Naast de steeds betere medicatie, waaronder vooral de antibiotica, kwamen na de Tweede Wereldoorlog ook de verdovingsmiddelen op. Door de verdovingsmiddelen moest het paard of de koe niet meer met mankracht worden geïmmobiliseerd (niet verwonderlijk gezien zelfs castratie doorgaans zonder verdoving gebeurde), wat de hele operatie heel wat diervriendelijker maakte.

Vanaf de jaren ‘70 kenden de antibiotica een grote vlucht. Een hele periode werd er ‘gemorst’ met antibiotica, cortisone en hormonen. Veel veeartsen verkochten ook geneesmiddelen aan de boeren, die zelf gingen behandelen. Hormonen werden al snel verboden als het niet voor curatieve doeleinden was, met als gevolg dat er een zwart circuit ontstond.

Er werd gedurende een aantal jaar ook slordig omgesprongen met DES (di-ethylstilbestrol), een vrouwelijk hormoon waarvan achteraf is gebleken dat het extreem kankerverwekkend was. Chemische castratie van stieren stond er op het etiket, en het zorgde ervoor dat de stieren rustiger werden en daardoor zelfs meer vlees aanmaakten.

Er was een tijd dat de boeren meer vertrouwen hadden in het aanroepen van heiligen dan in de veearts. De belangrijkste heiligen die werden aanroepen waren Antonius, Cornelius, Isidoor, Brigitte en Elooi. Ook de paters werden regelmatig gevraagd om de stal te zegenen en zelfs om zieke koeien met wijwater te genezen.

Ook ‘paardenmiddelen’ waren nog gemeengoed tot het midden van vorige eeuw. Zo zou langdurige hoest bij paarden kunnen verholpen worden door fijn gemalen luizen te mengen met warm water. Voor buikkrampen bij paarden waste men het paard met verse ochtendurine van mannen en nog tot het midden van vorige eeuw werden aderlatingen gedaan bij hoefbevangenheid bij paarden.

Een ander beproefd middel waren de ‘etterdrachten’: een vreemd voorwerp werd in de huid van een dier genaaid. Er trad ontsteking op dat de ziekte aan zou trekken en zo uit het lichaam verwijderen. Het meest bekende en nog behoorlijk lang toegepast was het Elixir d’Anvers. Tegen hoefbevangenheid bij paarden werd een hele fles opgegoten.

Keizersneden werden de norm

Het helpen van dieren die niet kunnen werpen, is zonder twijfel een van de oudste vormen van diergeneeskunde. Heel wat boeren haalden bij elke kalving een touw met trekhoutjes boven. Het was gevaarlijker wanneer ze een trekmachine begonnen te gebruiken om meer kracht te kunnen zetten. Wanneer het daarmee niet lukte, riepen ze de veearts. In veel gevallen hadden ze het kalf doodgetrokken en had de veearts enkel nog de zware taak om het kalf eruit te snijden door middel van een foetotomie.

Vanaf de jaren ‘60 deden de boeren steeds meer beroep op de veearts. Zo’n vijftig jaar geleden was zo’n 15 procent van de kalvingen een keizersnede. Nu is dat omgekeerd. Nog zo’n 5 procent van de kalveren worden op de natuurlijke manier geboren.

De keizersnede werd de norm, zeker in onze streken. Hier werd volop ingezet in het kweken van het witblauwe ras, dat dikbillen opleverde. Deze runderen, gekweekt voor het vlees dat bovendien vetarm was, werden steeds zwaarder en konden amper nog op natuurlijke wijze hun kalf ter wereld brengen.

De huidige tendens is evenwel dat boeren beginnen over te schakelen naar rassen die minder ‘aanvetten’, maar vlees van een betere kwaliteit geven. Blonde d’Aquitaine, Charolais, Limousin, West-Vlaams rood … Deze rassen werpen op een natuurlijke manier. Bovendien geven ze vlees van betere kwaliteit: vlees dooraderd met vet, wat het vlees sappiger maakt.

 

In deze reeks haalt Veldverkenners in samenwerking met het Centrum Agrarische Geschiedenis elke twee maanden een oude foto, met een verhaal dat verbazend actueel is, van onder het stof.

[beeld: : ‘Collectie KADOC - KU Leuven’ op: erfgoedbank www.hetvirtueleland.be, Centrum Agrarische Geschiedenis (CAG)’]]

Lees nog artikels met volgende tags

uit de oude doos, geschiedenis, veeartsenij
Aangemaakt op 14:36 03/04/2019 Laatst aangepast op 10:20 07/06/2019