Ontdek, proef en beleef het platteland van morgen
/gratis-abonnement
Denk-pistes

Uit de oude doos: mest was ooit 'het bruine goud'

Tot op vandaag is het gebruik van mest essentieel op elk Vlaams landbouwbedrijf. Van oudsher al werd de Vlaamse landbouw in de internationale agronomische literatuur geroemd om zijn intensieve en ook creatieve gebruik van mest in allerlei vormen, maten en soorten. Door de jaren heen evolueerde mest van een relatief schaars goed, tot een verplicht te verwerken product. 


Tot 1950: stalmest van kippen, duiven, runderen en paarden

  • Op het klassieke gemengde, kleinschalige landbouwbedrijf zoals dat tot in de jaren 1950 bestond, was vooral de mest van runderen en paarden belangrijk.
  • Varkensmest was weinig beschikbaar en ook minder krachtig. Terwijl gevogeltemest (kippen, duiven) geschikter was, maar tot in de jaren 1940 zeldzaam en dus duur.
     


Stro met urine van dieren en... mensen

  • In de hedendaagse intensieve veehouderij is stalmest bijna alleen nog paardenmest, in mindere mate van runderen. Naast de uitwerpselen van de dieren bestaat stalmest ook uit stro. Het stro is ideaal om de dieren schoner te houden, verhoogt het ligcomfort, geeft de dieren iets om te bijten en laat ook toe om de urine grotendeels op te vangen.
  • Het vloeibare deel van dierlijke mest bestond aanvankelijk alleen uit de urine van de staldieren. Een groot deel werd in de stal opgenomen door het stro en – vermengd met de stalmest – op de mesthoop vergaard. Tot diep in de 20ste eeuw werd het mestwater vaak niet opgevangen en spoelde het eenvoudig weg naar straat en gracht.


15 liter per koe, per dag

  • Het volume aan urine is sterk variabel naar de diersoort, de ouderdom en het gewicht van de dieren, het soort voedsel dat ze krijgen enz. Gemiddeld gezien produceert een paard rond de 5 liter urine per dag en een rund tot het drievoudige.
  • Het was evenwel vrij uitzonderlijk dat in de landbouw alleen urine van dierlijke oorsprong werd gebruikt. Vloeibare mest was immers bijna altijd een vermenging van dierlijke urine en menselijke uitwerpselen. Deze waren afkomstig van de toiletten op de boerderij, maar vaker nog aangevoerd vanuit de steden naar het platteland.


Engrais flamand uit de beerput

  • Vanaf de jaren 1960-1970 duikt het fenomeen van de dierlijke drijfmest op. Door de massale toename van het aantal runderen en varkens nam niet alleen het volume aan mest toe en was er een enorm overschot aan relatief vloeibare fractie.
  • Het gebruik van compost – organisch materiaal dat door een natuurlijk proces is omgezet – in de landbouw is tot vandaag minder gangbaar. Daarvoor zijn de samenstelling en de structuur te weinig stabiel en is de te bestrijken oppervlakte te groot.
  • De Vlaamse landbouw stond bekend voor zijn gebruik van mest van menselijke oorsprong. In de 19de-eeuwse Franstalige literatuur werd de meststof zelfs omschreven als engrais flamand. Voor een deel was deze mest afkomstig van de boerderij zelf waar de boer de menselijke faecaliën recupereerde via de toiletten of de beerput.
  • De schaarste aan dierlijke mest en de hoge kostprijs van kunstmatige meststoffen noopten de boeren tot het ophalen van beer bij de mensen thuis. Wie verderaf woonde op het platteland deed beroep op beerhandelaars.


De opkomst van kunstmest

  • De doorbraak van de kunstmeststoffen wordt vaak gelinkt aan de invloed van de Duitse wetenschapper Justus von Liebig. Hoewel hij niet als eerste het onderzoek naar de anorganische meststoffen voerde, speelde hij wel een cruciale rol in de verspreiding en bracht hij tal van nieuwe inzichten tot bij het brede publiek. Vanaf 1840 resulteerde dat in een alsmaar stijgend gebruik en de opkomst van een nieuwe kunstmeststoffenindustrie. Die voerde een zeer actieve propaganda in de gespecialiseerde pers.
  • Het leidde tot een bijna ongebreideld toepassen zonder dat veel aandacht werd geschonken aan eventuele nadelige gevolgen. Dat resulteerde op intensief bewerkte percelen tot bodemverschraling, milieuvervuiling door het wegspoelen van bv. fosfaten en een grotere vatbaarheid voor allerhande ziektes en plagen.
  • Tot in de twintigste eeuw was er in de praktijk bijna een tekort aan mest. Om mest te hebben, moest immers vee worden gehouden. En om vee te houden, moest de boer voldoende veevoeder hebben. Om dat veevoeder op het veld goed te laten groeien, was dan weer voldoende mest nodig. Kortom een vicieuze cirkel.


Mest doet groeien

  • Op het kleinschalige gemengde bedrijf zoals dat in Vlaanderen gangbaar was, bestond dan ook een voorzichtig volgehouden evenwicht tussen het aantal stuks vee en de draagkracht van het bedrijf. In goede jaren kon dat aantal wat oplopen. In minder goede jaren moest onvermijdelijk worden gesnoeid in het veebestand.
  • Vanaf de jaren 1960 veranderde de situatie drastisch. Het aantal microbedrijfjes daalde sterk, de gemiddelde bedrijfsoppervlakte nam gestaag toe. En liet dus in principe toe om meer vee te houden.
  • Maar de grote groei manifesteerde zich in het vleesvee, zowel varkens als koeien. De toegenomen vraag naar vlees, onder meer gestuurd door de groeiende welvaart, deed de veestapel exploderen. Bij boeren leefde in de jaren 1970 en 1980 niet de vraag of ze een nieuwe stal gingen zetten, maar wel hoe groot die stal zou zijn.


Uitspoeling, overschotten en MAP I

  • De gevolgen lieten zich raden. In de jaren 1980 doken steeds meer berichten op over mestoverschotten, zij het dat er wel sterke regionale verschillen waren. Anders dan voorheen was de mest bovendien niet zozeer vaste stalmest, waaronder stro was verwerkt, maar wel drijfmest. Uitspoeling naar waterwegen en het eenzijdig verrijken van het grondwater met te veel nitraten en fosfaten waren hiervan het gevolg.
  • Maatregelen drongen zich op. In het spoor van de Europese nitraatrichtlijn werd in 1991 in België het eerste mestdecreet goedgekeurd. De al te voorzichtige koers leidde evenwel tot weinig resultaat wat in 1996 noopte tot de invoering van het Eerste Mestactieplan (MAP I). In de loop van de daaropvolgende jaren werden actualiseringen hiervan uitgevoerd zodat men anno 2018 aan MAP V is gekomen.
  • De technologie inzake mestbewerking en –verwerking biedt ondertussen wel interessante mogelijkheden. Maar over het algemeen blijven mest en mestoverschotten een moeizaam beheerste situatie.
 
Het volledige verhaal ‘Het bruine goud. Mest en bemesting op de Vlaamse velden' lees je op de website van het Centrum Agrarische Geschiedenis.
 

In deze reeks haalt Veldverkenners in samenwerking met het Centrum Agrarische Geschiedenis elke twee maanden een oude foto, met een verhaal dat verbazend actueel is, van onder het stof.

[beeld: Foto: Jacques Hersleven, in: Vander Vaeren, Julien, 'Le livre d'or de l'agriculture belge', Thill, Bruxelles, 1939, op: erfgoedbank www.hetvirtueleland.be, Centrum Agrarische Geschiedenis (CAG)] 

Lees nog artikels met volgende tags

mest, mestoverschot, uit de oude doos, MAP
Aangemaakt op 14:30 04/04/2018 Laatst aangepast op 12:48 14/05/2018