Ontdek, proef en beleef het platteland van morgen
/gratis-abonnement
Denk-pistes

Uit de oude doos: landbouw na WO II

Beeld: © Landbouwleven / Le Sillon Belge

 

Boer met laarzen, paard, kar en beerton. Mest uitrijden gebeurde omstreeks 1950 nog manueel. Boeren droegen laarzen om zichzelf te beschermen tijdens het ‘uitstrooien’. Vandaag ondenkbaar – grote mestinjectie- en andere machines knappen het vuile werk op, het enige wat de boer moet doen is de machine besturen of laten besturen (door een loonwerker).

Behalve de manier van mestverspreiding is er nog een heleboel veranderd sinds 1950. De landbouw evolueerde van kleinschalig en gemengd (verschillende teelten en vee op een bedrijf) naar grootschalig en gespecialiseerd (focus op een of slechts enkele teelten). Dat ging gepaard met productiestijging (denk maar aan de boterbergen en melkplassen van enkele decennia geleden), grote investeringen en een verlies aan macht in de keten. Boeren werden steeds afhankelijker van toeleveringsbedrijven voor grondstoffen zoals veevoeder en afnemers zoals supermarkten. Ze evolueerden naar een schakel in de keten, terwijl ze ervoor een autonome productie-eenheid uitmaakten waar niemand omheen kon.

 

Enkele weetjes over de evolutie van de landbouwsector sinds 1950:

  • De tweede Wereldoorlog vormt een belangrijke katalysator in deze evolutie. Post oorlog zwoeren de Europese regeringsleiders dat het volk nooit meer honger mocht leiden. De eerste stappen richting overkoepelende landbouwpolitiek werden gezet, iets wat vandaag bekendstaat als het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB).
     
  • Europees Commissaris voor Landbouw Sicco Mansholt streefde daarin een productiestijging na, en wilde de structuur van de Europese landbouw drastisch hervormen. Hij wilde grotere, rendabele landbouwbedrijven, wat betekende dat het aantal boerderijen moest inkrimpen. Dit ‘Plan Mansholt’ lokte enorme protesten uit, met als hoogtepunt de boerenbetoging van 23 maart 1971 in Brussel.
     
  • Landbouwbedrijven werden steeds groter en gespecialiseerder, mede ook door de mechanisering en het toenemende gebrek aan geschikte arbeidskrachten. Die specialisatie heeft tot gevolg dat de boer steeds meer gebruik moet maken van intermediaire producten zoals veevoeder, meststoffen en zaaigoed. Die worden geleverd door gespecialiseerde firma’s, waarvan de landbouwer steeds afhankelijker wordt.
     
  • Door de groeiende veestapel komt vanaf de jaren 1950 maïs op als alternatief voor de voederbiet. Op korte tijd bepaalt de hoge plant mee het landschap, soms tot ergernis van wie tussen de muur van groen zijn weg moet volgen. Ook werd de gewaskeuze in de akkerbouw steeds meer bepaald door de bodem: graan, bieten en aardappelen werden verbouwd in regio’s waar de bodem het meest geschikt was, terwijl ze vroeger overal geteeld werden. Er was dus ook sprake van een ‘regionale specialisering’.
     
  • De mechanisering kwam in een stroomversnelling terecht: elke boer moest een tractor hebben, en later ook andere machines die meerdere handelingen tegelijkertijd konden uitvoeren. Lange tijd typisch voor België was het bestaan van vele lokale machinefabrikanten. Vaak waren zij vroegere dorpssmeden, die met eigen en aangepaste werktuigen het machinepark van de boeren uitrustten.
     
  • Vanaf 1980 kwam daar ook de computer bij. Die liet toe het dalende aantal arbeidskrachten op te vangen, en processen te automatiseren. Volautomatische machines en installaties vereisten echter ook een specifieke behandeling. Opleiding en bijscholing voor boeren werd vanzelfsprekend.
     
  • Na 1950 daalde het aantal beroepsbedrijven (boeren in bijberoep niet meegerekend) van zowat 215.000 tot 60.000 in 2000. Ook het aantal tewerkgestelden in de sector vertoonde ook een dalende tendens: rond 1950 was nog 14 procent van de beroepsbevolking actief in de landbouw, in 2000 niet meer dan 1,8 procent. Het landbouwareaal verminderde in dezelfde periode van ongeveer 1,8 miljoen hectare tot circa 1,4 miljoen hectare in het begin van de jaren 1980.
     
  • De Europese focus op productie bleef niet zonder gevolg: er ontstonden boterbergen, melkplassen en wijnmeren. Vanaf halverwege de jaren 1980 werd daarom de knop omgedraaid. Er werden quota en kwaliteitsmaatregelen ingevoerd en beperkingen opgelegd op prijsstijgingen. Vanaf 1992 werd de boer bovendien niet langer alleen als voedselproducent benaderd, maar mee ingeschakeld in een breder plattelandsbeleid als landschaps- en milieubeheerder. De overschotten verdwenen hierdoor geleidelijk.
     
  • Veel landbouwers kiezen sinds enkele jaren opnieuw bewust voor meer diversiteit in hun inkomen. Ontoereikende prijzen liggen daarbij aan de basis. De ‘verbreding’ van de landbouw heeft vele gezichten: hoeveverkoop, nicheproductie (bv struisvogelkweek), biologische landbouw, hoevelogies, enzovoort.
     
  • De evolutie naar steeds groter en gespecialiseerder heeft rechtstreeks en onrechtstreeks (dioxinecrisis, mestproblematiek, antibiotica, enzovoort) geleid tot imagoproblemen. Daarenboven kampt de sector met verouderings- en kapitaalinvesteringsproblemen. Bijna de helft van de zelfstandige landbouwers is ouder dan 55 jaar, en de interesse in opvolging van een jongere generatie is schaars. Een verdere spontane afname van het aantal bedrijven in België zal het logische gevolg daarvan zijn.

 

Het volledige verhaal ‘Een schakel in de keten, 1950 tot heden’ lees je op de website van het Centrum Agrarische Geschiedenis: www.HetVirtueleLand.be.

In de reeks ‘Uit de oude doos’ haalt Veldverkenners in samenwerking met het Centrum Agrarische Geschiedenis elke maand een oude foto, met een verhaal dat verbazend actueel is, van onder het stof. 

Aangemaakt op 15:27 08/01/2015 Laatst aangepast op 10:32 13/03/2015