Ontdek, proef en beleef het platteland van morgen
/gratis-abonnement
Denk-pistes

Uit de oude doos: honger en schaarste tijdens de 18de en 19de eeuw

Beeld: prenttekening door Léon Frédéric © Bakkerijmuseum

 

Een lege maag, dat zijn wij niet gewoon. Een lege koelkast evenmin. Nochtans moeten we niet zo diep graven in ons collectief geheugen om periodes van honger en algemene schaarste te vinden. Onze grootouders hebben honger gekend, als ze tenminste een van de twee wereldoorlogen hebben meegemaakt. En hun (over-over)grootouders ook, tussen eind de 18de en eind de 19de eeuw. De voedselproductie kon de bevolkingsgroei nauwelijks volgen en tot overmaat van ramp mislukten in de jaren 1840 opeenvolgend enkele oogsten. Pas een kwart eeuw later was de bevolking en de economie goed hersteld.

 

Enkele weetjes:

  • Begin en midden de 18de eeuw was het goed boeren in de Zuidelijke Nederlanden. De algemene toepassing van vruchtwisseling, de introductie van nieuwe gewassen (vlas, aardappelen, veevoeder) en de groei van de veestapel (meer mest) legden de landbouwers geen windeieren. Onze akkerbouw was wereldvermaard om zijn rendement.
     
  • De nieuwe aardappelteelt liet toe twee keer meer mensen te voeden met eenzelfde oppervlakte grond dan de teelt van graan. Bovendien vormt de aardappel een grote bron van vitamine C, wat de bevolking weerbaarder maakte tegen ziekten. Ondanks zijn arbeidsintensiviteit, werd de teelt daarom gretig geadopteerd. 
     
  • De prijzen van (basis)voedsel fluctueerden sterk in de loop van de 18de en 19de eeuw. Misoogsten veroorzaakten schaarste, schaarste hoge voedselprijzen en hoge voedselprijzen honger. Ongeveer om de 30 jaar kwam een crises de subsistences voor. Dat betekende dat haast iedereen minstens een keer in zijn leven met hongersnood werd geconfronteerd.
     
  • Het 18de- en vroeg 19de-eeuwse menu van boeren en arbeiders was eenzijdig: het bestond hoofdzakelijk uit aardappelen en roggebrood, tijdens goede jaren aangevuld met wat boter, vlees, eieren en heel af en toe kaas, vis, suiker en rijst. Dit leverde ongeveer 2300 kcal per dag op.
     
  • Aan het eind van de 18de en tijdens de eerste helft van de 19de eeuw nam de spanning tussen de bevolking en het productievolume toe. Door uitbreiding en nog intensievere bewerking van het akkerareaal bleef het evenwicht onder controle, tot het uitbreken van de aardappelcrisis in de jaren 1840. Eerst mislukten enkele opeenvolgende aardappeloogsten en in 1845 en 1846 ook de tarwe- en roggeoogst. De voedselprijzen verdubbelden.
     
  • Tegelijkertijd verloren plattelandsbewoners aan de gemechaniseerde textielnijverheid een belangrijk aanvullend inkomen in de huisnijverheid. Deze samenloop van omstandigheden veroorzaakte op verschillende plaatsen in Vlaanderen hongersnood. De verzwakte bevolking was hierdoor opnieuw vatbaarder voor ziektes, en sterftecijfers piekten.
     
  • De crisis was zo ernstig dat in de lente van 1847 hongeroproer uitbrak in verschillende steden. De onrust hield aan tot 1855.
     
  • De jonge Belgische overheid reageerde met het schrappen van de taksen op de invoer van graan en een verbod op de uitvoer van aardappelen. In combinatie met de plicht om braakland te ontginnen voor akkerbouw, leidde dit ertoe dat het evenwicht tussen de bevolking en de voedselproductie zich (voorlopig) herstelde.
     
  • Het succes van deze maatregelen maakte de geesten warm voor het idee van een vrije markt. In de jaren 1860 werden nog enkele belangrijke barrières opgeheven, wat onder meer de handel tussen stad en platteland vereenvoudigde. Met de invoering van de graanwetten in 1871 en 1873 werd de Belgische graanmarkt helemaal vrijgemaakt.
     
  • Tegelijkertijd werden de transportmogelijkheden uitgebreid en gemoderniseerd. Kanalen werden uitgegraven en spoor- en steenwegen aangelegd. Dit alles had een grote impact op de voedseldistributie: producten werden over langere afstanden en met meer tussenpersonen verhandeld.
     
  • Het derde kwart van de 19de eeuw was een periode van hoogconjunctuur. Rond 1860 kreeg de gemiddelde Belg 2600 kcal per dag binnen. Die kwamen nog steeds hoofdzakelijk uit brood en aardappelen, maar meer dan tevoren ook uit vlees - vooral bij de nieuwe burgerij. Af en toe was het zelfs feest, met witbrood met rozijnen, volle melk met suiker en soep van vet varkensvlees.
     
  • De 19de eeuw was de eeuw van de opkomst van de burgerij: een nieuwe elite naast de oude adellijke elite, bestaande uit handelaars, bankiers, ondernemers, renteniers, vrije beroepen en ambtenaren. Zij wilden hun weelde en bezit expliciet tonen: grote huizen, verre reizen, exclusieve feesten en… lekker eten. In plaats van voor kwantiteit kozen ze voor kwaliteit en verscheidenheid.
     
  • Diners in klein gezelschap thuis vormde voor de burgerij de uitgelezen manier om hun verfijnde eet- en drankpatroon te tonen. Anders dan in de 18de eeuw kwamen de verschillende gerechten niet meer in een keer op tafel. Ze kwamen gang per gang of à la russe.
     
  • Ook buitenshuis eten werd een nieuwe burgerlijke trend. In tegenstelling tot in de vroegere eetgelegenheden waar men at wat de pot schafte, kon men in de nieuwe restaurants gerechten kiezen van een menukaart. In 1840 telde Brussel 32 restaurants. Tegen 1870 waren het er al 93, in 1880 liefst 129.
 
 

Het volledige verhaal ‘Schaarse middelen (1750-1880)’ lees je op de website van het Centrum Agrarische Geschiedenis: www.HetVirtueleLand.be.

Meer info over de evolutie van de landbouw sinds 1800 vind je in ons boekje ‘Terug in de tijd met Veldverkenners - 200 jaar boeren voor onze dagelijkse kost’.
 
In de reeks ‘Uit de oude doos’ haalt Veldverkenners in samenwerking met het Centrum Agrarische Geschiedenis elke maand een oude foto, met een verhaal dat verbazend actueel is, van onder het stof. 

Lees nog artikels met volgende tags

uit de oude doos, voeding, landbouw, geschiedenis
Aangemaakt op 17:01 11/05/2015 Laatst aangepast op 14:20 11/06/2015