Ontdek, proef en beleef het platteland van morgen
/gratis-abonnement
Denk-pistes

Uit de oude doos: evolutie van de bijenteelt

Beeld: Bijenteeltmuseum Lanaken

 

De bijenteelt kent wereldwijd en ook in onze contreien een rijke geschiedenis. Tot het begin van vorige eeuw zag de imkerij er nog heel anders uit dan vandaag. De oogsttijd werd bijvoorbeeld bepaald door het gewicht van de korf of kast. Hoe zwaarder die was, hoe meer honing en was hij bevatte. Was hij zwaar, dan sprak men van een vette korf. En om de honing te oogsten, werd het bijenvolk eerst geslacht. Iets wat vandaag ondenkbaar is, gezien de populatie honingbijen sowieso al onder druk staat.

Op de foto hierboven zie je hoe een imker en zijn vader een korf inspecteren. Achteraan zie je een goed beschutte biehal.

Meer weetjes over bijen en een korte geschiedenis van de bijenteelt:

  • Bijen ontstonden circa 140 miljoen jaar geleden uit een wespensoort. Van solitaire insecten evolueerden ze geleidelijk naar sociale dieren.
     
  • De familie van de bijen telt zo’n 12.000 soorten. De Europese honingbij ontwikkelde zich in Afrika en verspreidde zich later naar onze streken. De honingbij is het enige insect dat zo veel honing verzamelt dat ook de mens ervan kan profiteren.
     
  • De Egyptenaren ontwikkelden de eerste vorm van bijenteelt circa 2.800 jaar geleden. Ze hielden bijenkolonies in holle cilindrische kokers van klei en stro. Hun imkerij was intensief en vruchtbaar. Zo kon Ramses III circa 1.180 voor Christus maar liefst 14.000 kilo honing aan de Nijlgod offeren.
     
  • Het waren echter de oude Grieken die als eersten het doen en laten van de honingbij vakkundig in kaart brachten. Zo schreef Aristoteles (384-322 voor Christus) het eerste boek over de honingbij en de bijenteelt. Hij was ervan overtuigd dat bijen voortkwamen uit de bladeren van bomen en struiken, terwijl de Egyptenaren dachten dat bijen werden geboren uit de tranen die de zonnegod Re op de aarde liet vallen.
     
  • Met de Romeinen kwam naast honing en ‘mede’ (honingwijn) ook de kennis over de bijenteelt naar onze regio. Hier bestond toen nog in hoofdzaak de bosbijenteelt met natuurlijke bijennesten in holle bomen.
     
  • Tijdens het bewind van Karel de Grote (748-814) bereikte de bijenteelt een grote bloei. Hij richtte modelbijenstanden op en verplichtte pachters om bijen te houden. Landbouwers betaalden was- en/of honingcijns aan de adel en geestelijken.
     
  • De bekende ronde bijenkorf was in onze streken al tijdens de middeleeuwen in gebruik. Het vlechten van de korven was een ideaal tijdverdrijf in de winter en gebeurde met ongedorst roggestro en/of buntgras.
     
  • Honing en bijenwas waren kostbaar. Bijenwas werd verwerkt tot waskaarsen en zegelwas en werd veelvuldig gebruikt in de zalfbereiding. Honing was lang het meest gebruikte zoetmiddel en bovendien een ideaal bewaarmiddel. Het werd ook gebruikt in allerlei schoonheidsmiddelen en als geneesmiddel voor heel wat kwaaltjes: van ontstoken wonden tot hartklachten.
     
  • In de 18de eeuw verdiende een imker uit Bornem jaarlijks 1.200 tot 1.500 gulden met de oogst van zijn 1.000 korven. Ter vergelijking: in die tijd bedroeg het dagloon op het platteland tussen de 10 stuivers en 1 gulden.
     
  • Jaarlijks zwermden de honingbijenvolken tijdens de zomermaanden uit. Op deze manier vermeerderde het aantal volken op natuurlijke wijze. De oude koningin vertrok met een deel van het oorspronkelijke bijenvolk, en daarna volgden een of meerdere jonge koninginnen met telkens een deel van de overgebleven bijen. Die uitgaande zwermen zochten dan een nieuwe woning. Zagen ze een zwerm, dan sloegen de mensen op ketels en pannen om het geluid van een donderslag na te bootsen. Ze dachten dat de bijenzwerm hierdoor een tros zou vormen in plaats van weg te vliegen. Een boer kon de neergestreken bijentros vervolgens in een lege bijenkorf opvangen.
     
  • Imkers vonden werktuigen uit om dat vangen te vergemakkelijken. Zo gebruikten ze een zwermschepper voor hoog hangende zwermen. En al snel ontdekten ze dat het vernevelen van water over een kolonie een snelle trosvorming bevorderde, een techniek die veel effectiever was dan het maken van lawaai.
     
  • Om de honing te oogsten, werd het bijenvolk eerst geslacht. De imker verstikte het met zwaveldamp of door een vuurtje onder de korf te stoken en vervolgens de honingraat uit te breken. Hieraan kwam een einde in de 19de eeuw: berokers deden hun intrede om de bijen te verdrijven, in plaats van ze te verstikken. Door de rook zogen bijen zich vol met honing om vervolgens het nest tijdelijk uit te vluchten.
     
  • Rond 1900 brachten de 200.000 korven in België zo’n 2.500.000 kg honing op. De invoer van honing bedroeg toen al 1.000.000 kg. Die buitenlandse honing was veel goedkoper, maar vaak van geringe kwaliteit en rijk aan suikerriet.
     
  • De imkers waren vooral werklieden, kleine landbouwers en bedienden die dit ambacht in hun vrije tijd beoefenden. In 1946 telde België 15.000 telers, samen goed voor 106.000 koloniën. In 1973 daalde dit aantal tot 11.000 imkers en 90.000 kolonies. Vandaag telt ons land bijna geen beroepsimkers meer (lees hier een interview met de enige Vlaamse beroepsimker door VILT), en is de imkerij geëvolueerd tot een hobby. In 2015 zijn 4.048 imkers geregistreerd bij het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV). Het totale aantal ligt echter hoger.

 

Het volledige verhaal ‘Bij de imkerij’ lees je op de website van het Centrum Agrarische Geschiedenis: www.HetVirtueleLand.be

In de reeks ‘Uit de oude doos’ haalt Veldverkenners in samenwerking met het Centrum Agrarische Geschiedenis elke twee maanden een oude foto, met een verhaal dat verbazend actueel is, van onder het stof.  

Lees nog artikels met volgende tags

uit de oude doos, honing, bijen, imkerij
Aangemaakt op 11:01 02/06/2016 Laatst aangepast op 16:45 29/06/2016