Ontdek, proef en beleef het platteland van morgen
/gratis-abonnement
Denk-pistes

Uit de oude doos: arbeidsmigratie in het Hageland (1850 – 2010)

KADOC KU Leuven – www.HetVirtueleLand.be, Centrum Agrarische Geschiedenis

 

Het Hageland staat vandaag bekend als bloeiende fruitstreek die elk jaar op een heleboel seizoenarbeiders beroep moet doen om al dat fruit tijdig geplukt te krijgen. Toch was dat ooit anders, en waren de Hagelanders zelf gedwongen om andere velden te verkennen.

De grond in het Hageland was immers arm, zeker in het noordoosten. Daarbovenop kwam dat de streek overbevolkt was, en landbouwpercelen klein. Die combinatie leidde tot een gebrek aan werkgelegenheid, waardoor men genoodzaakt was om elders als seizoenarbeider aan de slag te gaan.

Dat fenomeen ontstond in 1850 en eindigde rond 1960, als gevolg van de mechanisatie in de landbouw. Ook creëerden de Belgische en later Vlaamse en Europese subsidies meer werkgelegenheid in de streek, met name in de fruitteelt, waardoor het Hageland vandaag zelf seizoenarbeiders kan/moet verwelkomen.

Meer weetjes over arbeidsmigratie in het Hageland in de 19de eeuw:

  • De meeste seizoenarbeiders trokken naar Wallonië, zodat Ernest Claes ze in zijn Witte van Zichem ‘walenmannen’ noemde. Met een zak op de ene schouder en gereedschap in hun andere hand trokken zij naar het station, om vandaar met de trein naar hun tijdelijke werkplek te reizen.
     
  • De meest voorkomende vorm van seizoenarbeid was werken ‘in de bieten’. Omdat bietsuiker een goed alternatief voor rietsuiker bleek te zijn, werden vanaf de jaren 1870 steeds meer bieten geteeld in de leemstreek van Tienen tot de Maasvallei. De bietentuin groeide van 32.000 ha in 1880 uit tot bijna 60.000 ha in de jaren 1960, waarbij het aantal ‘bietenmannen’ (maar ook vrouwen en kinderen) steeds meegroeide.
     
  • In de eerste helft van de 20ste eeuw trokken heel wat Hagelanders na de bietenoogst opnieuw naar Wallonië om graan te dorsen. Met een ploeg van zestien en een dorsmolen trokken ze van boerderij naar boerderij. Daarbij werden ze betaald per gedorste zak. Hoe sneller de dorsers werkten, hoe meer ze verdienden. Rond 1930 was 800 zakken per week het doel. Dat bereikte de ploeg alleen met werkdagen van minstens 12 en vaak 16 uur.
     
  • Hagelanders waren boeren, maar om den brode pendelden ze ook naar de – meestal Waalse- industrie. Ook dat was seizoensarbeid: ofwel omdat ze het enkel deden tijdens het rustige landbouwseizoen, ofwel omdat de industrie gebonden was aan een oogst en dus enkel in een bepaald seizoen extra hulp nodig had. Zo was werk in de conservenfabriek zomerarbeid omdat de oogst snel verwerkt moest worden. Ook bieten moesten twee maanden na de oogst verwerkt worden.
     
  • In het rustige landbouwseizoen trokken vele seizoenarbeiders naar de steenovens en mijnen, vooral in de bekkens van Luik en Charleroi. Tegen 1909 vormden zij 20 procent van de mijnarbeiders in de Waalse bekkens, naast de vaste Hagelandse mijnkrachten die definitief geëmigreerd waren of dagelijks naar de mijnen pendelden. Na WO II deden de Limburgse mijnbazen meer beroep op buitenlandse krachten. Die werkten vast in dienst en woonden in de buurt van de mijn, zodat zij niet moesten pendelen.
     
  • Sommige Hagelandse landbouwers trokken ook definitief uit hun geboortestreek weg. Dat gebeurde vooral na WO II. Zij vestigden zich vooral in Waals-Brabant. Hoewel de literatuur soms laat uitschijnen dat de Walen hier niet zo opgetogen over waren, was er in de realiteit veel respect voor de Vlaamse werklust en leefden Walen en Vlamingen broederlijk naast elkaar.
     
  • Hagelanders die definitief in de Waalse industrie gingen werken, vertrokken doorgaans tussen 1880 en 1914 en vestigden zich vooral in de streek rond Charleroi. In 1930 telde Charleroi 12.324 inwoners die afkomstig waren uit het arrondissement Leuven.
     
  • Er waren ook avonturiers die het heel wat verder zochten. Zo was de ‘Nieuwe Wereld’ een populaire emigratiebestemming vanaf het einde van de 19de eeuw tot de jaren zestig van de 20ste eeuw. Ze hadden gemiddeld 330 frank bij als startkapitaal. Daarvoor hadden ze lang gespaard – een arbeider verdiende in die tijd tussen 2 en 4 frank per dag – of hun huis verkocht. Het leven over de plas was echter niet gemakkelijk: naar schatting 10 tot 15 procent van de emigranten keerden terug, vaak nog armer dan tevoren.

     

Het volledige verhaal ‘Arbeidsmigratie in het Hageland (1850 - 2010)’ lees je op de website van het Centrum Agrarische Geschiedenis: www.HetVirtueleLand.be

In de reeks ‘Uit de oude doos’ haalt Veldverkenners in samenwerking met het Centrum Agrarische Geschiedenis elke maand een oude foto, met een verhaal dat verbazend actueel is, van onder het stof. 

Lees nog artikels met volgende tags

seizoenarbeid, denkpiste, uit de oude doos, Hageland
Aangemaakt op 14:15 26/06/2014 Laatst aangepast op 10:28 13/03/2015