Ontdek, proef en beleef het platteland van morgen
/gratis-abonnement
Denk-pistes

Op de rooster: patenten op groenten?

Natuurlijk is een plant geen uitvinding. Maar wat als die plant door klassieke veredeling resistent is gemaakt tegen schadelijke insecten? Enkele bedrijven in de bio- of gentechnologie proberen steeds vaker om die variëteiten of hun natuurlijke of genetische eigenschappen te patenteren. En dat leidt steeds vaker tot protest bij allerlei organisaties. Die hebben niet alleen ethische, maar ook economische en ecologische bezwaren. Veldverkenners doet de discussie voor je uit de doeken.

 

Paprika- en andere patenten 

Per definitie kan enkel een uitvinding gepatenteerd worden, en daar vallen planten natuurlijk niet onder. Of toch? Met de opkomst van de gentechnologie (de ggo-techniek waarbij het genetisch materiaal van een organisme wordt gewijzigd door er een stuk DNA van een ander organisme aan toe te voegen) werd geopperd dat een genetisch gemodificeerd gewas (ggo) wel als een patenteerbare uitvinding kan worden beschouwd. In het verlengde daarvan gingen ook stemmen op om klassiek veredelde planten (dus ontstaan door jarenlang selectief te kruisen), eigenschappen ervan of de gebruikte veredelingsmethodes, te patenteren.

Zo kreeg het Zwitserse zaadconcern Syngenta in 2013 een patent op een methode om de natuurlijke resistentie van bepaalde paprikaplanten tegen witte vliegen in te bouwen in een commercieel ras, het zogenaamde paprikapatent. Concurrent Monsanto heeft zelfs in totaal al meer dan 400 (!) patenten lopen op zelf ontwikkelde zaden. En eind vorig jaar richtten elf zaadbedrijven, waaronder Syngenta, een speciaal handelsplatform op met als doel natuurlijke of genetische planteigenschappen te laten patenteren.

Organisaties zoals BioNext (Nederland) en BioForum (Vlaanderen) vinden dat ongehoord. Zij vinden het absurd dat een claim kan worden gelegd op de natuurlijke eigenschappen van een plant. Samen met nog 300 andere ngo’s en landbouworganisaties sloten ze zich aan bij de internationale No Patents on Seeds-coalitie. Die zet zich in voor een heldere regelgeving en eist dat planten, dieren, genetisch materiaal en teeltmethodes voor voedsel niet langer in aanmerking kunnen komen voor een patent. Soms met succes: een patent van Monsanto op de ontwikkeling van een bepaalde broccolivariant, werd na luid protest opnieuw ingetrokken.

 

De ethische discussie: een patent op natuur of op kennis?

Ondanks de ethische bezwaren van landbouw- en andere organisaties, claimen zaadbedrijven dat zij geen patent nemen op planten of hun eigenschappen, maar wel op “de kennis die vereist is om te achterhalen welk genetisch materiaal nodig is om tot die eigenschappen te komen”. Zij stellen dat het onderzoek naar bijvoorbeeld resistentie tegen bepaalde plagen of ziekten zo veel geld kost, dat ze een patent nodig hebben om de bijbehorende kosten terug te verdienen en nieuw onderzoek te financieren. Volgens hen zijn die hoge kosten bovendien gerechtvaardigd, omdat de variëteiten die ze ermee ontwikkelen een groot maatschappelijk belang dienen, zoals het vermijden van mislukte oogsten en het terugdringen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Klinkt mooi, toch? Dat vinden ze ook aan de overkant. Althans in theorie, want in realiteit komt het er volgens de tegenstanders nog steeds op neer dat de zaadbedrijven een patent verkrijgen op een natuurlijke eigenschap, en bij uitbreiding op alle planten die die eigenschap bezitten. “Want hoe kan je zonder die gepatenteerde methode of kennis anders een plant met die eigenschap produceren?”

 

De economische gevolgen: groeiende monopolies

Aan zo’n patent hangt voor de boer natuurlijk een aardig prijskaartje vast. Want gepatenteerd zaad vermenigvuldigen en het resultaat zelf gebruiken of onderling verhandelen, een praktijk die vroeger en in sommige landen nog steeds gemeengoed was/is, mag niet. Als een teler een bepaalde gepatenteerde variëteit wil planten, moet hij dus elk seizoen bij dat ene bedrijf dat het patent bezit, (duur) zaad aankopen. En als er maar een aanbieder is, is er natuurlijk weinig ruimte voor onderhandelingen over de prijs.

De zadenmarkt is vandaag bovendien al sterk geconcentreerd: wereldwijd bezitten tien zaadbedrijven 67 procent van de markt. Daarvan staat 47 procent op naam van de drie grootste bedrijven: Monsanto, Syngenta en DuPont. Enkel die paar bedrijven hebben de middelen om hoogtechnologisch (lees: duur) genetisch onderzoek te gebruiken in hun veredelingsmethodes. Als zij genetische eigenschappen mogen patenteren, zet dat dus een rem op de innovatie in andere bedrijven. Hierdoor kunnen de grote spelers de markt nog meer naar zich toetrekken, en dat is voor verschillende landbouworganisaties een enge gedachte. Want opnieuw creëert dit een moeilijke onderhandelingsbasis voor hun leden.

De zaadconcerns zelf brengen hier tegenin dat zij hun kennis helemaal niet willen afschermen, maar er alleen iets aan willen verdienen. Uiteindelijk hebben zij ook het risico genomen door te investeren in het voorafgaande onderzoek. Ze zoeken dus alleen naar een zekere return-on-investment. Daarom kunnen kleinere bedrijven licenties kopen, die hen het recht geven om de gepatenteerde kennis en producten te gebruiken. Daarenboven vervallen patenten na verloop van tijd, meestal na 20 jaar, waardoor het concurrentienadeel van de anderen in de tijd beperkt blijft.

Sommigen vinden de return-on-investment-logica van de grote bedrijven begrijpelijk, maar anderen blijven van mening dat onderzoek naar nieuwe variëteiten niet op privé- maar gemeenschapsniveau moet gebeuren. Gefinancierd dus met gemeenschapsmiddelen, en uitgevoerd door overheidsbedrijven. Zodat iedereen nadien gratis van de nieuwe kennis gebruik kan maken.

 

De ecologische schade: dalende biodiversiteit

Hoewel de landbouwsector en het milieu natuurlijk baat kunnen hebben bij steeds resistentere rassen (minder nood aan gewasbeschermingsmiddelen enzovoort), wordt tegelijkertijd gevreesd voor een ecologische verschraling. Patenten op natuurlijke eigenschappen kunnen immers verdere veredeling met die eigenschap door andere bedrijven blokkeren, waardoor innovatie en verdere zaadontwikkeling meer geremd dan gestimuleerd wordt, met een dalende biodiversiteit als resultaat.

Enkele jaren geleden becijferde een VN-rapport bijvoorbeeld dat al ongeveer 75 procent van de genetische diversiteit van planten verloren is gegaan als gevolg van een afgezwakt traditioneel zadensysteem, waarbij lokale boeren hun zelf geoogste zaden uitwisselen. En die verminderde biodiversiteit kan de voordelen van resistentere rassen teniet doen. Want hoe minder biodiversiteit, hoe minder alternatieven we achter de hand hebben wanneer nieuwe ziektes, plagen of problemen de kop opsteken.

 

Wat zegt de wet?

Het Europese Octrooi Verdrag (EOV) verbiedt ze in principe, maar het Europees Octrooi Bureau (EOB) heeft desondanks al veel octrooien op plantenrassen toegekend. De Europese zaadwetgeving is immers op veel vlakken versnipperd en voor interpretatie vatbaar. Want wat is ‘een essentieel biologisch proces’?

In 2010 oordeelde het beroepsorgaan (Board of Appeal) van het Europees octrooibureau nog dat “een proces voor de productie van planten waarbij kruising van hele plantgenomen plaatsvindt en de daaropvolgende selectie van planten” (adem!), niet te patenteren valt. En dat “louter het toevoegen van een technische stap” – een stap die op zich wel patenteerbaar is, daar niets aan verandert. Ben je nog mee? :)

De wetgeving wordt momenteel herschreven, maar het is onduidelijk of het eindresultaat patenten op klassiek veredelde plantenrassen nu zal bemoeilijken dan wel vergemakkelijken. Het Europees Parlement keurde in 2014 wel nog een voorstel van de Europese Commissie af, omdat het teveel in de kaarten van de grote zadenbedrijven zou spelen.

 

Kwekersrecht

De Europese zaadwetgeving maakt trouwens wel een onderscheid tussen de door gentechbedrijven aangevraagde patenten, en het zogenaamde kwekersrecht. Dat laatste geeft de kweker van een nieuwe variëteit het alleenrecht om de zaden hiervan te verkopen. Andere landbouwers mogen het ras dan wel telen, de eigen zaden hergebruiken en de vruchten daarvan verkopen, maar niet in de geoogste zaden zelf handelen. Ook voor aardappelen is een soortgelijke regeling uitgewerkt. Boeren mogen hun eigen aardappelen ('hoevepootgoed') opnieuw planten, mits ze een bijdrage betalen aan de kweker van het aardappelras. Het hoevepootgoed verkopen, mogen ze echter niet.

 

Bron: VILT, De Morgen, *MO

Lees nog artikels met volgende tags

op de rooster, patent, octrooi, Europa, zaad, groente, wetgeving
Aangemaakt op 16:04 22/01/2015 Laatst aangepast op 09:03 09/03/2015