Ontdek, proef en beleef het platteland van morgen
/gratis-abonnement
Denk-pistes

Op de rooster: hoe gaat de voedselketen om met reststromen?

Waar voedsel geproduceerd, verwerkt, getransporteerd, bereid of gegeten wordt, is er verlies. Eetbaar, maar ook niet-eetbaar verlies. Denk aan restjes, schillen, loof, pulp, beschadigde producten, enzovoort. Eetbare verliezen noemen we voedselverlies, niet-eetbare verliezen noemen we nevenstromen. Samen vormen zij de reststromen van de agrovoedingsketen. 

Tot voor kort waren er geen cijfers over de kwestie te vinden voor Vlaanderen. Er werd louter wat geschat en gewerkt met natte vingers. Maar nu is er een eerste monitoringsrapport op basis van data uit 2015. Enkele cijfers uit dat rapport:

  • In 2015 bedroeg de voedingsreststroom in Vlaanderen 3.485.000 ton, tegenover 6.484.757 ton geconsumeerd voedsel.
     
  • In gewicht veroorzaken de voedingsindustrie (67%), landbouw (13%) en huishoudens (13%) het merendeel van de reststromen (eetbaar + niet-eetbaar).
     
  • Om verlies te voorkomen krijgen 16.400 ton voedseloverschotten een sociale bestemming: 1.477 ton via de veilingen, 12.599 ton via de voedingsindustrie en 2.356 ton via de retail. Door een gebrek aan data is dat allicht een onderschatting.
     
  • Het grootste deel van de reststromen is niet eetbaar (74%): 2.578.076 ton. Het merendeel daarvan wordt geproduceerd in de voedingsindustrie (82%), gevolgd door de huishoudens (10%). De grote bijdrage van de voedingsindustrie wordt verklaard door het feit dat er ruwe grondstoffen verwerkt worden, een proces waarbij nu eenmaal schillen, beenderen, pulp, enzovoort vrijkomen. Deze niet-eetbare nevenstromen vormen 90 procent van alle reststromen in die schakel van de keten.
     
  • De andere 907.077 ton reststromen is wel eetbaar – dat is dus voedselverlies (26%). Daarbij is het grootste deel afkomstig uit de landbouw (36%), uit de voedingsindustrie (25%) en opnieuw uit de huishoudens (23%). Samen zijn zij verantwoordelijk voor 84 procent van de verliezen in Vlaanderen. Maar ten opzichte van de totale productie dan wel consumptie (voor huishoudens) is het voedselverlies er nog relatief laag: in de voedingsindustrie gaat het om 1,5 procent van de productie, in de landbouw om 4 procent van de productie en in de huishoudens om 5,6 procent van de consumptie.
     
  • Ruim 90 procent van de reststromen wordt gevaloriseerd. Het grootste deel wordt aangewend als diervoeder (43%), 21 procent wordt vergist (biogas) en 17 procent wordt ondergeploegd op het veld. Zes procent wordt gecomposteerd of verbrand met energierecuperatie, 5 procent wordt gebruikt als biomassa voor de productie van groene energie, en 1 tot 2 procent wordt geloosd of gestort.

 

Zowel in de agrovoedingsketen als in de brede maatschappij heerst een groeiend bewustzijn dat voedselverlies niet oké is, en dat reststromen maximaal gevaloriseerd moeten worden. Voedsel dat geproduceerd werd maar niet benut, is immers zonde van tijd, geld en grondstoffen.

Daarom heeft de VN de strijd tegen voedselverlies opgenomen in haar Sustainable Development Goals en heeft ook Europa van die strijd een prioriteit gemaakt. Zelfs Vlaanderen is op de kar gesprongen, door in 2014 samen met de partners in de voedingsketen een engagement aan te gaan (‘Samen tegen Voedselverlies’). Dat engagement werd intussen vertaald in een Vlaams Ketenplatform Voedselverlies en een gelijknamige Ketenroadmap met 9 doelgerichte actieprogramma’s. Concreet wil Vlaanderen de voedselverliezen tegen 2020 met 15 procent verminderen.

 

Voedselverlies_800x450.jpg

 

Reststromen in de land- en tuinbouw

De land- en tuinbouw creëert als primaire sector 449.352 ton voedselreststromen, waarvan 330.319 ton voedselverlies en 119.033 ton (niet-eetbare) nevenstromen. In de tuinbouw (groenten + fruit) treedt het meeste verlies op (63%), maar ook in de akkerbouw (granen + bieten + aardappelen) ontstaan reststromen (32%):

  • Vooral bij de teelt van prei voor de versmarkt en in mindere mate voor de industrie, ajuin voor de industrie, spinazie voor de industrie, peren, bloemkool en wortels voor de industrie, appels en aardappelen is er best veel ‘restfractie’. Als we alleen kijken naar de eetbare fracties, komen ook de teelt van witloof en sla in beeld.
     
  • Het grootste deel hiervan blijft op het veld liggen en/of wordt opnieuw ondergeploegd. Restfracties van groenten en fruit worden ook regelmatig aan dieren gevoederd (18%).
     
  • Het grootste deel van de restfracties in de land- en tuinbouw is eetbaar (74%). Het gaat dus om voedselverlies.
     
  • Uitgedrukt ten opzichte van de totale productie, gaat in de tuinbouw 11 procent product verloren en in de akkerbouw 2,4 procent. 
 

Tip: lees ook ons boekje 'Van anorak tot zonnecrème' over de vele zichtbare en onzichtbare wegen die de rest- en nevenstromen van de land- en tuinbouw afleggen (concreet: prei, varken, tarwe, aardappel en appel). Een aanrader! 

 

Reststromen thuis: bij jou en bij ons

Vlaanderen telt 6,4 miljoen inwoners en 2,8 miljoen huishoudens. Samen creëren zij (wij) 468.305 ton voedselreststromen. Per inwoner komt dat neer op 72,3 kg. Bijna de helft (45%) daarvan is nog eetbaar en wordt dus beschouwd als voedselverlies (212.00 ton). Dat komt neer op 32,7 kg voedselverlies per Vlaming in 2015.

Uit een eerdere analyse van het huisvuil (OVAM, 2015) bleek dat vooral fruit (29%), brood en banket (23%) en groenten (20%) weggegooid worden. Omdat andere kanalen zoals GFT, thuiscompostering en voederen aan dieren niet meegerekend werden, is dit nog een onderschatting. Zeker is wel dat we beter sorteren dan het Europese gemiddelde, waardoor een relatief groot deel van ons voedselafval toch beter gevaloriseerd kan worden.

Tip: lees ook onze 18 tips tegen voedselverspilling.  

 

bananenschillen-800x450.jpg

 

De waardepiramide: vermijden + maximaal valoriseren

Wanneer je over voedselverlies en reststromen spreekt, duikt regelmatig de term ‘waardepiramide’ of ‘cascade van waardebehoud’ op. Wat heeft voedselverlies met een piramide te maken? Niets, die waardepiramide is gewoon een manier om uit te drukken welke toepassingen het meest waardevol zijn voor een reststroom. Het idee erachter is dat overschotten en nevenstromen zo veel mogelijk gebruikt moeten worden waarvoor ze oorspronkelijk bedoeld waren (= menselijke consumptie), want zo behouden ze het meest hun waarde.

De piramide ziet er zo uit:

  • In de eerste plaats moet voedselverlies vermeden worden (preventie), door verliesposten uit te schakelen, processen te optimaliseren, overschotten te vermijden, enzovoort.
     
  • Als er toch verlies optreedt, is de eerste optie schenking aan voedselbanken of andere sociale organisaties. De tweede optie is verwerking tot een nieuw voedselproduct (bv. persen van beschadigde appels tot appelsap). Omdat het voedsel hierdoor in de menselijke voedingsketen blijft, wordt dit ook als preventie beschouwd.
     
  • Wanneer preventie niet lukt, moet de reststroom optimaal gevaloriseerd worden. De meest waardevolle en dus te prefereren vorm is de piste veevoeder. Door reststromen aan boerderijdieren te voederen, dragen ze immers onrechtstreeks toch bij aan de menselijke voedselvoorziening.
     
  • Een trapje lager op de piramide staat het gebruik van reststromen als grondstof voor de industrie (bv. cosmetica, farmacie, materialen), dan vergisting of compostering (meststof) en nog lager energieproductie. Ook dit zijn vormen van valorisatie.
     
  • Als allerlaatste optie is er verbranding (met energierecuperatie) of lozing, beide vormen van vernietiging zonder enige valorisatie.

 

paard-krijgt-wortel-te-eten-800x450.jpg

 

Om uit te drukken hoe goed een sector zijn reststromen valoriseert, wordt een cascade-index berekend. Hoe hoger die index, hoe beter. De landbouw krijgt een score van 7,9/10 – een hoge score, aldus de auteurs van het monitoringsrapport. Dit omdat het grootste deel van de reststromen uitgereden en/of ondergeploegd wordt op het veld (70%) en in de tweede plaats gevoederd wordt aan dieren (11%).

“Het valoriseren van voedselreststromen als bodemverbeteraar of veevoeder maakt integraal deel uit van het kernproces van de landbouw. Dit draagt tevens bij aan het sluiten van natuurlijke kringlopen”, lezen we. Wat wil zeggen: landbouwers gebruiken hun overschotten al eeuwenlang als groene bemesting voor de bodem of als voeder voor hun dieren. Dat is voor hen pure logica.

De voedingsindustrie doet het nog beter, met een score van 8,8/10. Dit omdat zij nog meer dan de landbouw reststromen valoriseren als veevoeder (55%). Een kleiner aandeel wordt vergist (26%) tot biogas, de rest wordt uitgereden op het veld (11%) of gebruikt als biomassa voor groene energie (7%).

Huishoudens daarentegen – jij en ik thuis – krijgen slechts een score van 6,9/10. Dit omdat compostering de belangrijkste valorisatie is (40%). Een kleiner aandeel wordt gevoederd aan eigen nutsdieren (bv. kippen) of huisdieren (28%) en verbrand (weliswaar met energierecuperatie, 24%).

 

composteren-in-de-tuin-800x450.jpg

 

Cosmetische kwaliteitseisen

Vaak wordt met een beschuldigende vinger gewezen naar de veilingen, handelaars en supermarkten als het gaat over verlies van groenten en fruit. Zij zouden vruchten afkeuren die omwille van hun vorm, kleur of afmeting niet voldoen aan de norm. Uit een recente studie blijkt dat meer dan twee derde van de tuinders een deel van zijn producten niet kan verkopen via het beoogde kanaal omwille van deze ‘cosmetische kwaliteitseisen’.

Gemiddeld gaat het om 10 procent van hun oogst (!) – maar de verschillen tussen de telers onderling zijn groot. Een derde hiervan komt toch nog in de humane voedselketen terecht (= geen voedselverlies), door ze te verwerken, te schenken aan sociale initiatieven of te verkopen via de korte keten. Maar meer dan de helft, net geen 120.000 ton groenten en fruit, gaat verloren. Ze worden gevoederd aan dieren, vergist, gecomposteerd, uitgevoerd op het land of gewoonweg niet geoogst.

 

Acties voor “lelijke” groenten en fruit

Verschillende schakels in de keten zoeken naar oplossingen om dit verlies door cosmetische eisen te reduceren. Delhaize lanceerde al enkele keren een actie om “gekke” groenten en fruit te verkopen aan een aantrekkelijke prijs. Deze campagnes hebben echter altijd een kleinschalig en tijdelijk karakter, omdat het aanbod misvormde vruchten die toch geschikt zijn voor consumptie erg klein is (slechts 0,8%). Daarenboven wil Delhaize niet té veel succes hebben met de actie, omdat ze vreest op die manier meer vraag te creëren naar misvormde vruchten. Het risico bestaat dat telers hun productieproces aanpassen om net méér lelijke vruchten te creëren, en dat is niet wenselijk. De kwaliteit van die vruchten is meestal kleiner en de kosten voor verpakking hoger.

Ook de verwerkende industrie en een handvol innovatieve ondernemers spelen in op de vraag naar een betere valorisatie van lelijke vruchten. Voorbeelden zijn Wonky, een start-up die overschotten verwerkt tot spreads en dips, en ReFruit, een ondernemer die lelijke groenten en fruit ophaalt bij de telers en ze bundelt en verkoopt in een pakket. In Nederland heb je tot slot Kromkommer, een bedrijfje dat misvormde groenten en fruit verwerkt in soep.

Vrouwenbeweging KVLV lanceerde dit jaar nog de actie ‘Looks zijn niet alles!’, waarmee ze bewustwording wil creëren rond voedselverspilling door cosmetische eisen. Je kan nog tot het einde van 2017 deelnemen door een foto te nemen van jezelf met een gekke groente of een vreemd stuk fruit, en deze te delen op Facebook (@KVLV) met de hashtag #lookszijnnietalles. Je kan er een waardebon van 25 of 50 euro mee winnen bij een hoeveproducent naar keuze. 

 

Bron: Monitor voedselreststromen en voedselverliezen, nulmeting 2015 / De impact van cosmetische kwaliteitseisen op voedselverlies

Lees nog artikels met volgende tags

op de rooster, voedselverlies, voedselverspilling
Aangemaakt op 14:42 28/11/2017 Laatst aangepast op 22:53 05/12/2017