Ontdek, proef en beleef het platteland van morgen
/gratis-abonnement
Denk-pistes

Op de rooster: Boslandbouw in Vlaanderen

Beeld: Vildaphoto - Yves Adams

 

Naar aanleiding van Week van het Bos staan we even stil bij het fenomeen agroforestry of boslandbouw. Wat is het? Waar komt het vandaan? Waarom werkt het wel of niet? En wat zijn de slaagkansen in Vlaanderen?

 

Wat is het?

Boslandbouw is het combineren van landbouw, bosbouw en natuur op eenzelfde perceel.

Concreet wordt op een perceel een landbouwteelt of veeteelt gecombineerd met een houtig gewas: hoogstambomen of hakhout, tussen de gewassen op het perceel of op de perceelrand. Beide teelten staan er voor productiedoeleinden. Dat wil zeggen dat het de bedoeling is dat de bomen op termijn effectief gekapt worden voor het hout, en in tussentijd al dan niet vruchten, snoeihout en/of strooisel opleveren.

De ‘tussenteelten’ kunnen zo goed als alles zijn: maïs, aardappelen, groenten, maar ook gras (met vee), kleinfruit of zelfs korte omloophout (geteeld voor de snelle houtproductie als biomassa voor groene energie). De boomteelten eigenlijk ook, maar toch zijn bepaalde combinaties beter dan andere. Tarwe en notelaar zijn bijvoorbeeld een goede combinatie, omdat de wortels van beide teelten niet in concurrentie treden, en de notelaar door een late bloei enerzijds lang genoeg licht doorlaat en door een vroege bladval anderzijds op het juiste moment voedsel oplevert voor de groeiende tarwe. Maar bovenal moet de boomkeuze worden aangepast aan de concrete situatie van de landbouwer en zijn perceel.

 

Waar komt het vandaan?

Boslandbouw is niet nieuw in Vlaanderen. Vroeger was de combinatie van hoogstambomen en akkerbouwgewassen of grasland met vee de normale gang van zaken. Maar door de focus op specialisatie en schaalvergroting in het Europees landbouwbeleid van de afgelopen decennia, is de praktijk stilaan uit het DNA van onze landbouw verdwenen. De plaats die de bomen innemen, is namelijk plaats die niet kan worden ingenomen door gewassen of vee. Bovendien vormen de bomen obstakels voor de landbouwvoertuigen, wat allemaal niet strookt met die Europese focus op productiviteits- en efficiëntieverhoging.

Onlangs heeft de EU wel een U-bocht gemaakt in dat beleid. In plaats van gewoon groei staat nu duurzame groei voorop. Boslandbouw zou daarbij zelfs erkend worden als ‘ecologisch focusgebied’, één van de maatregelen die de Europese landbouw moeten vergroenen. Verwacht wordt dat dit de (her)opkomst van boslandbouw in de nabije toekomst kan stimuleren.

 

Waarom werkt het wel of niet?

Agroforestry is “een mooi voorbeeld van creatief omgaan met de schaarse ruimte”, dixit Koen Wellemans, diensthoofd bij de Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling van de Vlaamse landbouwadministratie in een interview met de collega’s van VILT. De combinatie van landbouw en bosbouw zorgt voor een ecologische meerwaarde, die al meermaals in de praktijk werd aangetoond. De bomen zorgen voor:

  • een verhoging van de biodiversiteit op de akker, daardoor een verhoogde slaagkans voor natuurlijke plaagbeheersing en dus minder gewasbeschermingsmiddelen: de strook gras of kruidachtige beplanting tussen de bomen trekt nuttige insecten aan, die als natuurlijke vijand de strijd aangaan met eventuele plagen op de gewassen en het natuurlijke evenwicht tussen goede en slechte insecten in stand houden.
  • opslag van koolstof en dus een vermindering van het broeikasgaseffect: bomen leggen koolstof vast in hun hout en in de bodem.
  • vruchtbare bodems: via hun wortels houden de bomen nutriënten vast uit diepere bodemlagen, die de landbouwgewassen na de bladval zelf kunnen opnemen. Op die manier verhogen de wortels en bladeren van de bomen de organische stof in de bodem.
  • minder erosie en een betere waterberging: een goed doorwortelde, humusrijke bodem houdt beter en langer water vast. Bovendien zuigen de wortels bij droogte water op uit diepere grondlagen, waardoor via een soort hydraulische lift ook de gewassen meer water krijgen. Datzelfde geldt voor voedingstoffen die dreigen uit te spoelen: de wortels pompen ze op en brengen ze ook zo opnieuw binnen wortelbereik van de gewassen.
  • en daardoor een verbetering van de waterkwaliteit: doordat er minder sprake is van erosie en uitspoeling van nitraat en landbouwchemicaliën, gaat de kwaliteit van het (grond)water erop vooruit.
 

Ook zorgt het systeem voor een economische meerwaarde, die groter is dan de economische opbrengst van landbouw en bosbouw op aparte percelen, maar die meerwaarde is moeilijker aan te tonen in de praktijk. (Dit omdat er in Vlaanderen geen voldoende groot netwerk aan boslandbouwpercelen bestaat dat de nodige onderzoeksgegevens oplevert.) De economische voordelen hebben te maken met:

  • minder wind- en andere weerschade aan de gewassen en het vee op de graslanden: de bomen breken de wind, waardoor die minder schade kan veroorzaken. Dat geldt ook voor andere extreme weersomstandigheden, zoals extreme hitte, droogte en regenval: zoals gezegd halen bomen bij droogte water uit diepere grondlagen, waardoor het ook bereikbaar wordt voor de gewassen, enzovoort. Eigenlijk zorgen de bomen voor een soort microklimaat, dat werkt als lokale klimaatbuffer.
  • minder gewasbeschermingsmiddelen, (kunst)mest en irrigatie: door het aantrekken van nuttige insecten neemt de plaagdruk af en dus ook het gebruik van dure middelen. Door de verbetering van de bodemstructuur en –kwaliteit worden voedingsstoffen en water bovendien beter vastgehouden, waardoor minder moet worden toegevoegd.
  • een verhoging van de productiviteit: doordat de bodem vruchtbaarder is, neemt ook de productiviteit en het rendement van de landbouwteelt toe. Granen in boslandbouwsysteem hebben bijvoorbeeld een hoger eiwitgehalte dan granen in monocultuur. Volgens studies zou de productiviteit van één hectare agroforestry (met 50 bomen) evenwaardig zijn aan de productiviteit van anderhalve hectare graan en bos apart. Dit is trouwens een wederkerend fenomeen: ook de bomen worden beter van de combinatie met het gewas.
  • een aanvulling van het landbouwinkomen door de houtproductie: ondanks het feit dat de prijs van hout en landbouwgewassen op lange termijn moeilijk te voorspellen is, wordt aangenomen dat hout steeds schaarser en dus ook kostbaarder wordt. Wel is dit voordeel er één van de lange termijn: de investering in boslandbouw gebeurt aan het begin, bij de aanplant, terwijl de grote opbrengst pas volgt op het einde, bij de kap. Het ‘gat’ tussen beide bedraagt gemakkelijk 25 jaar of langer. In die zin kan boslandbouw bekeken worden als een vorm van pensioensparen voor de landbouwers.
  • eventueel ook een aanvulling aan het inkomen door de productie van biomassa op korte termijn: door op een juiste manier te snoeien kunnen de bomen in tussentijd al snoeihout (voor energie of bodemverbetering) opleveren, en door te kiezen voor bijvoorbeeld fruit- of notenbomen leveren de bomen meer op dan alleen hout. Dit zorgt voor een diversificatie van het inkomen van de landbouwer, en dus ook voor een spreiding van het risico wanneer het bij één teelt wat minder gaat.
 

Dit alles zou een win-winsituatie opleveren voor het milieu én de boer (om nog te zwijgen over het voordeel voor ons, Veldverkennende plattelandsrecreanten: een mooier, gevarieerder landschap!). Maar er zijn natuurlijk ook een aantal (vooral economische) nadelen:

  • schaduwvorming: een belangrijk nadeel is de schaduw die de bomen op de landbouwgewassen werpen. Na een aantal jaar neemt de opbrengst van de gewassen dichtbij de bomen hierdoor af. Toch zou dit nadeel gecompenseerd worden door het lange termijn opbrengstvoordeel van de houtproductie. Op het einde van de rit brengt het combineren van bosbouw en landbouw desondanks meer op dan het scheiden van de twee. Bovendien kan de schaduwvorming beperkt worden door goed na te denken over de plaats waar de bomen aangeplant worden (er zijn een aantal regels: op vlakke grond is de ideale oriëntatie noord-zuid, op hellende grond volg je de hoogtelijnen, je plant maximaal 50 bomen per hectare, enzovoort).
  • extra arbeid: de landbouwer moet om de bomen heen ploegen en ze goed verzorgen, anders is hij het economisch voordeel verbonden aan de houtproductie kwijt. Een gebrek aan ervaring en kennis kan hem hierdoor afschrikken.
 

Wat zijn de slaagkansen in Vlaanderen?

Ondanks de grote (al dan niet praktisch bewezen) voordelen, happen maar weinig Vlaamse landbouwers toe. De Vlaamse overheid subsidieert de aanplant van bomen op landbouwpercelen nochtans sinds 2011. 70 Procent van de opstartkost wordt terugbetaald. Maar voor die subsidie zijn in de periode 2011-2013 slechts 20 aanvragen ingediend, voor een totale oppervlakte van 36,2 hectare. Dat is zeer weinig.

Waarom aarzelen ze? Een aantal juridische obstakels vormen de grootste oorzaak. Landbouwers willen bijvoorbeeld zekerheid dat ze de bomen ook effectief mogen kappen, wanneer ze oogstrijp zijn. Tot voor kort was dit een reële angst: het bosdecreet bevatte geen uitsluiting voor boslandbouwsystemen, waardoor het kappen van de bomen gecompenseerd moest worden zoals bij echte ontbossing – wat het economische voordeel van de houtproductie natuurlijk teniet dreigde te doen.

De Vlaamse overheid heeft zich recent geëngageerd om enkele van die obstakels weg te werken, maar dat proces is nog niet helemaal rond. Ook zou de huidige steun voor agroforestry opgetrokken worden, van 70 procent bij de opstart naar 100 procent, plus een onderhoudspremie gedurende de eerste vijf jaar. Ten slotte zou boslandbouw in het nieuwe Europese landbouwbeleid meetellen als ‘ecologisch focusgebied’, één van de randvoorwaarden waaraan landbouwers moeten voldoen om Europese inkomenssteun te ontvangen. Verwacht wordt dat dit het succes van boslandbouw een serieus duwtje in de rug kan geven.

 

Meer info: www.agroforestry.be, www.wervel.be

 

In de reeks ‘Op de rooster’ brengt Veldverkenners de milieu- en dier(on)vriendelijkheid van een product of subsector in kaart.

Aangemaakt op 17:41 15/10/2013 Laatst aangepast op 16:03 15/01/2014