Ontdek, proef en beleef het platteland van morgen
/gratis-abonnement
Denk-pistes

Op de rooster: antibioticagebruik in de veehouderij

Beeld: shutterstock.com

 

Een paar maanden geleden brak alweer een kleine rel uit in consumentenland. Test-Aankoop publiceerde een onderzoek waaruit bleek dat 73 procent van het kippenvlees, 16 procent van het varkensvlees en 8 procent van het rundvlees onderzocht in april en augustus ESBL bevatte, een groep van enzymen die bacteriën resistent maken tegen antibiotica. “Percentages die veel te hoog liggen”, klonk het, en dat terwijl het antibioticagebruik de jongste jaren wel degelijk een dalende lijn vertoont. Nu de storm wat is gaan liggen, zetten we alles op een rijtje: hoe zit dat nu met antibiotica en resistentie in de veehouderij?

 

De cijfers

Ondanks een gestage daling van het antibioticagebruik in ons land sinds de start van de metingen in 2007 (uitgevoerd door de Universiteit Gent in opdracht van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten), blijft België in verhouding tot zijn veestapel één van de grootste gebruikers van Europa. Tussen 2007 en 2012 daalde het veterinair gebruik in absolute getallen met 20,3 procent, en sinds 2011 in relatieve getallen (ten opzichte van het geproduceerde vlees en aantal melkkoeien) met 6,9 procent. Opmerking: deze cijfers betreffen zowel landbouwhuisdieren als gezelschapsdieren, maar aangezien ongeveer 90 procent van het totaal naar de veehouderij gaat, geven ze toch een goed beeld van hoe de sector evolueert.

Het gebruik daalt dus, maar het daalt niet snel genoeg. Dat stellen verschillende partijen uit de sector zelf vast, zoals de landbouworganisaties. Bovendien behoren de drie meest gebruikte types antibiotica net tot diegenen die van kritisch belang zijn voor de humane gezondheidszorg, en is de ontwikkeling van resistentie tegen die middelen dus gevaarlijk. Volgens Merel Postma van de Universiteit Gent wordt bijvoorbeeld door varkenshouders inderdaad te vaak gegrepen naar zogenaamde potente middelen, die als laatste redmiddel worden gebruikt om ernstige humane infecties te bestrijden waartegen gewone antibiotica niet (meer) helpen. En dat terwijl eenvoudigere antibiotica ook prima zouden werken. Dat zegt zij in het magazine Management & Techniek van Boerenbond.

 

De risico’s

Sneller resistent. Dat bacteriën resistent worden is op zich niet zo zorgwekkend of alarmerend. Het is een natuurlijk proces dat zich altijd al heeft voorgedaan. Maar de snelheid en de schaal waarmee bacteriën vandaag resistent worden, is wel een probleem. Want terwijl bacteriën slechts één of twee jaar nodig hebben om resistent te worden, heeft de farmaceutische industrie 20 jaar nodig om een nieuw antibioticum te ontwikkelen. Als de antibioticaresistentie dus aan hetzelfde tempo blijft evolueren, zijn we binnenkort niet meer in staat om bacteriële infecties te behandelen en hun verspreiding tegen te gaan. Volgens sommige voorspellingen zou dat al het geval kunnen zijn over 10 jaar. Bovendien duurt het heel lang voor de resistentie van bacteriën opnieuw afneemt. Zo stelt professor Diergeneeskunde Jeroen Dewulf van de Universiteit Gent dat het resistentieniveau van een middel dat al sinds 1989 verboden is (chloramphenicol), vandaag nog steeds 28 procent bedraagt.

Van dier op mens. Resistente bacteriën kunnen van dieren overgedragen worden op mensen. Dat kan rechtstreeks via de omgeving (lucht, water, enzovoort) of via bacteriën in en op melk, vlees en eieren, of onrechtstreeks doordat dierlijke bacteriën resistentiegenen uitwisselen met menselijke bacteriën. Om besmetting via de omgeving en voeding te vermijden, gelden allerlei hygiënemaatregelen. In slachthuizen bijvoorbeeld worden de darmen (met uitwerpselen) van een geslacht dier gescheiden gehouden van de rest van het karkas, en komen verschillende soorten vlees in principe nooit met elkaar in aanraking.

Ook overdracht door sporen van antibiotica in vlees, melk of eieren is mogelijk, al zijn er op dit vlak eveneens een aantal voorzorgsmaatregelen ingebouwd. Zo moeten veehouders na een antibioticabehandeling een wachttijd respecteren, tijdens welke het behandelde dier niet gemolken of geslacht mag worden, en de eieren uit roulatie moeten worden gehaald. De hoeveelheid antibioticaresidu die daarna nog in de producten teruggevonden kan worden, zou zo laag moeten zijn dat er geen gevaar meer is voor de consument. Bovendien wordt bijvoorbeeld melk extra gecontroleerd op residu’s voor het naar de melkerij gaat (staalname).

Dat het gebruik van antibiotica bij dieren effectief invloed heeft op de resistentie bij mensen, werd voor het eerst aangetoond door een uitgebreide Nederlandse studie uitgevoerd in 1994. Als reactie op die studie legde de Nederlandse overheid in 2009 het gebruik sterk aan banden. Met succes, want tussen 2007 en 2011 ging dat drastisch omlaag. Zo is België in verhouding tot zijn veestapel nu een groter gebruiker van antibiotica dan ‘historisch grootgebruiker’ Nederland.

 

De oplossing?

Gezien antibioticaresistentie voor minstens 90 procent veroorzaakt wordt door (overmatig) gebruik, ligt de oplossing eerst en vooral in een reductie van dat gebruik. Iedereen is daar intussen van overtuigd, zowel de landbouworganisaties als de veeartsen als de farmaceutische industrie als de overheid. Om de veehouders en dierenartsen te helpen hun gebruik effectief te verminderen, werd in 2012 het kenniscentrum AMCRA opgericht. Dat centrum verzamelt data over gebruik en resistentie, sensibiliseert betrokkenen en werkt aan een gericht antibioticabeleid. Daartoe heeft het onder meer al een praktische gids voor een lager en verantwoord gebruik bij varkens, pluimvee en rundvee opgesteld.

  • Lager’ wil in deze context zeggen: minder in groep behandelen en meer inzetten op het voorkomen in plaats van het genezen van ziekten, door de bioveiligheid op de bedrijven te verbeteren, dieren te vaccineren enzovoort.
  • Verantwoord’ wil dan weer zeggen: alleen gebruiken wanneer het noodzakelijk is, na diagnosestelling door een dierenarts en bij voorkeur bevestigd door een aanvullend onderzoek, evenals kiezen voor de juiste antibiotica in de juiste hoeveelheid, zorgvuldig omspringen met breedspectrum antibiotica en potente middelen alleen inzetten als laatste redmiddel.

Met andere woorden: AMCRA stipuleert dat dieren alleen behandeld mogen worden met antibiotica als ze effectief ziek zijn, niet preventief, en met dat middel dat geschikt is voor die specifieke bacterie en dat specifieke dier, in de juiste dosis, zoals bepaald door een dierenarts.

Gezien onder meer de landbouworganisaties AMCRA steunen en financieren, is dit niet zomaar een ideaal van één of ander orgaan in één of andere ivoren toren, maar een streefdoel gedragen door de sector zelf. Dit streefdoel effectief omzetten in gedragswijziging, blijkt echter toch vaak moeilijk. Uit een recent project van Boerenbond, Belpork en de Universiteit Gent (Red AB) blijkt dat veel varkenshouders antibiotica preventief gebruiken ‘uit gewoonte’, ‘om zeker te zijn’ of ‘uit angst voor het onbekende’. Nochtans zijn die twijfels totaal ongegrond, want na een reductie van het preventief gebruik op de deelnemende bedrijven van 55 tot 60 procent en een reductie van het curatief gebruik (bij ziekte) van 7 tot 78 procent, bleken de productieresultaten niet verslechterd maar zelfs verbeterd te zijn. Door tegelijkertijd de bioveiligheid (hygiëne enz.) op het bedrijf te verbeteren en beter te vaccineren, werden meer biggen per zeug geboren en daalde het sterftecijfer. Alleen de groei van de dieren daalde licht, maar te licht volgens Boerenbond en Merel Postma (UGent) om de positieve effecten te negeren. Dit project bewijst volgens de initiatiefnemers duidelijk dat een reductie van antibioticagebruik zonder een verlies aan productieresultaten in de praktijk mogelijk is.

Antibiotica volledig verbannen is haalbaar noch wenselijk. Want dat zou betekenen dat veehouders zieke dieren (moeten) laten lijden en uiteindelijk sterven, terwijl er een middel bestaat dat hen kan genezen. Dat vindt niemand moreel aanvaardbaar. Zoals gezegd is het wel belangrijk dat de reductie van antibiotica gecombineerd wordt met een betere bioveiligheid binnen en buiten het bedrijf, vaccinaties enzovoort. Zodat het probleem bij de bron wordt aangepakt en infecties worden vermeden. In dat kader staat de biologische veehouderij trouwens al wat verder dan de gangbare. Door te kiezen voor robuustere rassen en lichte en ruimere stallen, is de kans op infectie en onderlinge besmetting op hun bedrijven kleiner. Ten slotte begint alles volgens de betrokkenen bij een degelijk informatie- of registratiesysteem, zoals Nederland en Denemarken al hebben ingevoerd. Hierdoor kunnen grootgebruikers worden opgespoord en begeleid in hun reductie. Het geven van een referentiepunt waarmee zij hun eigen gebruik kunnen vergelijken is daarvoor vaak al voldoende.

 

Wat kan je zelf doen?

Dat vlees ESBL of andere resistentie bacteriën kan bevatten, wil nog niet zeggen dat je ziek of besmet wordt als je ervan eet. Als je de hygiëneregels in de keuken respecteert tenminste! Besmetting voorkom je door:

  • Je vlees goed te (door)bakken, want verhitting doodt bacteriën. Ook in het midden moet je vlees trouwens voldoende verhit worden (minstens 70°C).
  • Je handen regelmatig te wassen, zeker nadat je rauw vlees of rauwe groenten hebt vastgehad.
  • Rauwe producten goed van elkaar en van bereide gerechten gescheiden te houden. Gebruik bijvoorbeeld geen keukengerei dat in aanraking is geweest met rauw vlees voor andere voedingsmiddelen.
  • Je werkblad en keukengerei goed schoon te houden.
 

Meer info/bronnen: AMCRA, VILT, Management & Techniek, Test-Aankoop

Lees nog artikels met volgende tags

op de rooster, antibiotica, vlees, veehouderij
Aangemaakt op 18:05 23/01/2014 Laatst aangepast op 15:17 21/02/2014