Ontdek, proef en beleef het platteland van morgen
/gratis-abonnement
Doe-tips

Landbouw in onze taal: 5 spreekwoorden

Dat landbouw vroeger een meer prominente maatschappelijke rol speelde dan vandaag, wordt duidelijk wanneer je een woordenboek openslaat. Heel wat van onze oude spreekwoorden vinden hun oorsprong op het veld of in de stal. Door naar ons taalgebruik te kijken, kan je dus al veel bijleren over de landbouw. Omdat we niet te veel hooi op onze vork wilden nemen (heb je 'm ;)), hebben we ons beperkt tot een lijstje van vijf:

 

  1. Geld over de balk smijten

    Oorspronkelijk ging het in deze uitspraak niet over geld, maar over hooi. Als een boer zijn vee voedert, smijt hij hooi in hun voederbak. Daarover hangt een balk, die de bak afscheidt van de stal. Als de boer bij het voederen slordig te werk gaat, kan hij het hooi per ongeluk over de balk smijten, waardoor het niet in de voederbak valt maar tussen de poten van de koeien of varkens in de stal, en dus verloren gaat. Hooi (en later geld) over de balk smijten ging hierdoor synoniem staan voor nodeloos verspillen.

     
  2. Van twee walletjes eten

    Vroeger liepen er tussen de weilanden greppels die ervoor zorgden dat water beter kon wegstromen. In de zomer stonden die greppels weleens droog, wat het voor dappere koeien mogelijk maakte om ook op de overliggende weide te gaan grazen. Zo aten zij van twee walletjes, en profiteerden ze dus van twee graslanden.

    Vandaag blijven de koeien, tegengehouden door paal en draad, netjes op hun eigen weiland. Maar de uitdrukking wordt nog steeds gebruikt voor opportunisten die steeds het winnende kamp kiezen. Of voor mensen die biseksueel zijn.

     
  3. Zo zit de vork in de steel

    Voor je actie onderneemt, is het altijd goed te weten wat er juist aan de hand is, of hoe de vork in de steel zit. Dat was vroeger ook al zo, letterlijk zelfs. Bij hooivorken kon de ijzeren vork namelijk op twee verschillende manieren aan de houten steel vastzitten. In het ene geval was aan de vork een holle buis vastgemaakt, waar de steel werd ingestoken. In het andere geval zat aan de vork een ijzeren pin, die in een holle steel paste. Als je een hooivork wilde herstellen, moest je dus eerst weten hoe de vork aan de steel zat.

     
  4. Het onderspit delven

    Niemand delft graag het onderspit. Niet vandaag, en zeker niet in de middeleeuwen. Toen was het in onze contreien immers gebruikelijk om tot vier spadesteken diep te spitten. De onderste grondlagen omspitten noemde men 'het onderspit delven'. Dit was zwaar en rugbrekend werk, en wie die taak toebedeeld kreeg, was dus het slechtst af van iedereen. Vandaag heeft een ploegmachine die zware taak overgenomen en bestaat de letterlijke betekenis enkel nog in Zuid-Afrika, waar men velden voor wijn- en boomgaarden nog met de spade bewerkt.

     
  5. Veel varkens maken de spoeling dun

    In vroegere tijden was  spoeling een soort voeder voor varkens. Ze werd gemaakt door keuken- en tuinafval met water te mengen, tot een dikke brij ontstond. Hoe meer varkens er te voeden waren, hoe meer water men toevoegde. Zo kreeg men meer spoeling, maar die werd dan ook wel steeds dunner en bijgevolg minder voedzaam. Het spreekwoord betekent dan ook: 'met hoe meer mensen je moet delen, hoe minder er voor iedereen is'.
 
 
Bron: Buiten, het ledenmagazine van Landelijke Gilden en www.onzetaal.nl

Lees nog artikels met volgende tags

landbouw, spreekwoord, taal
Aangemaakt op 16:10 22/12/2014 Laatst aangepast op 10:12 03/02/2015