Ontdek, proef en beleef het platteland van morgen
/gratis-abonnement
Denk-pistes

Op de rooster: hoe milieu(on)vriendelijk worden aardbeien geteeld?

Mmm, het is weer zover. Het aardbeienseizoen staat voor de deur. Aardbeien zijn heerlijk, vormen een bron aan vitamine C, bevatten veel vezelstoffen en hebben een lage calorische waarde. Ze zijn dus lief voor lichaam en geest. Maar hoe lief is hun teelt vandaag voor het milieu?

 

Volle grond of substraat

Vroeger concentreerde de aardbeienverkoop zich rond de maanden mei, juni en juli, maar nu zijn ze het hele jaar door verkrijgbaar. Dit omdat er nieuwe teelttechnieken ontwikkeld zijn en planten nu kunnen worden ingekoeld voor later gebruik. Grof gesteld zijn er twee teeltmethoden: in volle grond of op substraat. Aardbeien in volle grond kunnen beschermd worden tegen neerslag met plastic tunnels of glazen serres (in Vlaanderen komt dit laatste zelden voor), maar kunnen ook gewoon in open lucht staan. Voor aardbeien op substraat geldt eigenlijk hetzelfde: ofwel staan de stellingen in glazen of plastic serres of onder plastic boogkapjes, beschermd tegen de regen en wind, ofwel zonder bescherming in open lucht.

 

Wat komt het meeste voor?

Beide teelten zijn in Vlaanderen gangbaar. Of er vollegrondaardbeien aangevoerd worden of substraataardbeien, uit open lucht of uit serre, is vooral afhankelijk van het seizoen. De eerste aardbeien komen uit verwarmde serres (maart), daarna volgen de aardbeien uit plastic tunnels (mei) en die uit volle grond (juni). Maar daarmee is het seizoen nog niet afgelopen. Na het zomerse vollegrondseizoen volgen opnieuw aardbeien uit plastic tunnels en de laatste aardbeien, opnieuw uit verwarmde serres, liggen in de rekken tot de eindejaarsfeesten.

 

Wat is de beste techniek?

Zoals vaak het geval is met zo’n vragen, is er geen pasklaar antwoord. Aardbeien zijn geen eenvoudig product om te telen. Ze zijn zo gevoelig aan ziekten en plagen en er bestaan zo veel verschillende planttypes en teeltsystemen, dat het één van de meest gespecialiseerde teelten is. Het verhaal ‘wat is beter?’ vraagt dan ook een zekere nuance. Hieronder toch een poging tot overzicht van de voornaamste voor- en nadelen per systeem.

 

Voordelen substraat:

  • Het telen op substraat is voor de tuinder zelf aangenamer. De stellingen staan op comfortabele plukhoogte, waardoor hij zich niet telkens moet bukken of zich op zijn knieën in weer en wind door het veld moet voortbewegen. Als de stellingen bovendien beschermd zijn door boogkapjes, tunnels of serres, moet hij zich ook minder zorgen maken over zijn opbrengsten bij slechte weersomstandigheden. Substraatteelt is dus bevorderlijk voor het fysieke en mentale welzijn van de aardbeitelers. Al menen sommigen dat ze net gráág gebogen over hun aardbeibedden over het veld lopen...
  • Een bijkomend voordeel van teelt op substraat onder kapjes, tunnels of serres is dat de tuinder minder rotbestrijdingsmiddelen moet gebruiken. Hij kan de bloemen van de aardbeiplant beter droog houden, waardoor de kans op rot verkleint en hij dus minder (chemische of andere) hulpmiddeltjes nodig heeft om zijn teelt gezond te houden. 
  • Eenzelfde voordeel geldt voor wortelziekten. In de substraatteelt wordt bij aanplant vers substraat gebruikt, waardoor het risico op ziekteopbouw in de bodem wordt uitgeschakeld. In de vollegrondteelt kan dit natuurlijk niet. Wanneer de vollegrondteler niet aan teeltrotatie doet, bouwen wortelziekten zich op in de bodem (dit is wat men noemt ‘bodemmoeheid’) en moet hij meer inspanningen leveren om zijn planten gezond te houden. (Een leuk weetje: Elsanta is al sinds de jaren ’80 het standaardras in Vlaanderen en heeft als dusdanig een evolutie op gang gebracht binnen de sector. Het ras is erg gevoelig aan wortelziekten en is hierdoor moeilijker te telen in volle grond. In de zoektocht naar oplossingen hiervoor raakte de substraatteelt ingeburgerd. Elsanta heeft er dus mee voor gezorgd dat telers “uit de grond” zijn gaan telen.)
  • Verder laat de teelt op stellingen toe om het water waarmee de aardbeien gevoed worden, op te vangen. Het water kan (na ontsmetting) gerecupereerd worden, waardoor een gesloten kring ontstaat waarbij nauwelijks een druppel water verloren gaat. Bij teelt op substraat kan dus zuiniger omgesprongen worden met water. In serres wordt dit recyclagesysteem bovendien gecombineerd met de opvang van regenwater, wat het systeem nog zuiniger maakt.
  • Ten slotte laat substraatteelt toe om het aardbeiseizoen zodanig te rekken, dat (bijna) het jaar rond aardbeien worden geproduceerd. Als je dus aardbeien wil op je nieuwjaarstaart, is telen op substraat de enige optie.

 

Nadelen substraat:

  • Natuurlijk zijn daar ook enkele nadelen aan verbonden. Telen op substraat, vooral in serres, is duurder. De investerings- en productiekost ligt hoger, maar daar tegenover staat dan weer een hogere opbrengst. De aardbeien kunnen immers dichter bij elkaar worden geteeld, de ruimte kan efficiënter worden ingedeeld en er zijn meerdere teelten (en dus ook oogsten) per jaar mogelijk. 
  • Telen in serres brengt bovendien een hoger energieverbruik met zich mee. In de winter moet de tuinder zijn serre verwarmen en in de zomer koelen. 
  • Serres kunnen bovendien storend zijn in het landschap en substraatteelt heeft het imago minder authentiek en natuurlijk te zijn.

 

serre-mine-tris.jpg

 
Beeld: Mine Dalemans.
Beeld intro: Mine Dalemans.

 

Voordelen volle grond:

  • Telen in volle grond heeft daarentegen wél een authentiek imago. Het materiaal in de substraatmatten of -emmers is ook natuurlijk (witveen, soms kokos), maar telen in volle grond lijkt nog altijd ‘natuurlijker’. 
  • Bovendien ligt het energieverbruik en de productiekost een pak lager: er moet niet gestookt worden en er moeten minder grote investeringen (bijvoorbeeld een serre) afbetaald worden. 
  • Telen in volle grond kan ten slotte biologisch.

 

Nadelen volle grond:

  • Ook hier zijn nadelen aan verbonden. Aardbeien telen in volle grond is heel arbeidsintensief en brengt fysieke ongemakken en (extra) stress met zich mee. 
  • Bovendien zijn aardbeien in volle grond meer gevoelig aan wortelziekten en rottingsverschijnselen. De bodem moet in goede conditie worden gehouden, zodat geen bodemmoeheid optreedt, en de hoeveelheid water kan minder goed geregeld worden, zeker zonder regenbescherming. Extra water of voeding geven is mogelijk, al moet de tuinder zich aan bepaalde regels houden hieromtrent*, maar het teveel aan water of nitraat uit de bodem onttrekken niet. In een nat seizoen bestaat dan ook de kans dat de aardbeiplanten te natte voetjes krijgen en bijvoorbeeld gaan rotten. De tuinder moet dus meer op zijn hoede zijn en mogelijks vaker ingrijpen met bestrijdings- en geneesmiddelen. 
  • *Bij substraatteelt kan het drainwater gewoon opgevangen worden, ontsmet en hergebruikt, waardoor geen problemen ontstaan met nitraatvervuiling van bodem of oppervlaktewater. Bij vollegrondteelt kan dat natuurlijk niet. De vollegrondteler heeft in principe alleen de hoeveelheid mest die hij uitspreidt op zijn veld in de hand. Hierdoor kan hij sneller nitraatproblemen krijgen, die hij probeert te vermijden door regelmatig bodemanalyses uit te voeren. 
  • Verder heeft de vollegrondteler veel grond nodig, zeker in verhouding tot zijn productie. Om bodemmoeheid en andere problemen te vermijden, moet hij regelmatig de gewassen op zijn percelen roteren. Om elk jaar een perceel aardbeien te kunnen telen, heeft hij in feite vier percelen nodig. 
  • Ten slotte is de vollegrondteelt afhankelijk van het seizoen en dus erg kort. Wanneer de zomer ten einde loopt, is het ook gedaan met het vollegrondseizoen.

 

De zoektocht naar duurzaamheid

Aardbeien telen is niet meer of minder milieuvriendelijk dan andere teelten. Aardbeien zijn erg gevoelig aan ziekten en plagen, en dit het hele jaar door, waardoor ze veel zorg en gewasbescherming (al dan niet chemisch, biologisch of geïntegreerd**) nodig hebben. Maar bij andere teelten stellen zich dan weer typisch andere knelpunten. En zoals ook bij die andere teelten het geval is, zoeken producenten en onderzoekers naar manieren om de ecologische voetafdruk van de aardbei te verminderen. Een overzicht van inspanningen die al geleverd worden:

  • Gewasbescherming: Om ziekten en plagen te bestrijden, worden nog steeds chemische gewasbeschermingsmiddelen gebruikt, al is de aandacht voor biologische middelen de laatste jaren erg toegenomen. Bovendien doen de telers allemaal beroep op ‘natuurlijke vijanden’ van schadelijke insecten en ziekten, zoals roofmijt tegen trips, sluipwespen tegen bladluis en gunstige bodemschimmels tegen wortelziekten. Verder zetten ze meer en meer in op preventie in plaats van genezing, door bijvoorbeeld te vertrekken van een zo zuiver mogelijke omgeving. Dat preventief handelen en het gebruik van natuurlijk vijanden zijn eigenschappen van de ‘geïntegreerde teelt’**, tegenwoordig de norm in de groente- en fruitteelt. 
  • Energie: Ook wordt duurzaamheid tegenwoordig sterk in rekening genomen bij het verwarmen van de serres of het inkoelen van de aardbeiplanten. Telers zoeken, opnieuw ondersteund door proefcentra, naar manieren om hun energiegebruik te beperken en zo veel mogelijk energie te hergebruiken. Zo wordt bijvoorbeeld volop geëxperimenteerd met het plaatsen van energieschermen, die de warmte beter binnenhouden, en worden de aardbeiplanten zo optimaal mogelijk bij elkaar gezet, zodat geen overbodige ruimte moet worden verwarmd of gekoeld. 
  • Water: Hetzelfde geldt voor het verbruik van water. Aardbeien hebben veel water nodig, maar omdat water een zeldzaam goed wordt en gebruikt water (‘drainwater’) niet zomaar in de beek mag worden geloosd, zijn het gebruik van regenwater, evenals de ontsmetting en het hergebruik van drainwater in de substraat- en serreteelt standaardpraktijken geworden. 
  • Bemesting: Zoals in elke tak van de land- en tuinbouw, is bemesting een ‘noodzakelijk kwaad’. Te veel is niet goed, te weinig ook niet. Opnieuw is het zaak om er dus op een slimme en milieubewuste manier mee om te gaan. Zo wordt bijvoorbeeld gezocht naar de beste soorten en combinaties compost en geëxperimenteerd met nieuwe substraten die op een andere manier nutriënten en water afgeven aan de planten. 
  • CO2: Aardbeiplanten hebben CO2 nodig om te groeien. Gelukkig is CO2 een restproduct van gasbranders. Telers die hun serres dus tóch moeten verwarmen, gebruiken de CO2 die daarbij vrijkomt om hun planten te voeden. 
  • Belichting: Behalve water, voeding, warmte en CO2 hebben aardbeien veel licht nodig. In het voorjaar bijvoorbeeld hebben de planten extra licht nodig, opdat ze snel een dik bladerdek zouden aanmaken. Vroeger gebruikten telers hiervoor gloeilampen, maar tegenwoordig veel zuinigere LED-verlichting of spaarlampen. 
  • Biologisch?: Er bestaan geen ‘biologische aardbeitelers’ in Vlaanderen, alleen biologische landbouwers die naast andere producten ook aardbeien telen. Dit omdat de teelt te arbeidsintensief is en te veel grond vraagt. Meestal worden die bio-aardbeien verkocht in hoevewinkels, als lokaas om klanten binnen te trekken. Als je dus bio-aardbeien wil, moet je op zoek naar een bioboer met een hoevewinkel.
 

aardbeipluk-mine-tris.jpg

 
Beeld: Mine Dalemans.

 

Wat koop je in de supermarkt?

Ongeveer 80 procent van de hoeveelheid aardbeien die hier geteeld worden, wordt geëxporteerd. Vooral naar Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Omgekeerd wordt iets meer dan de helft van ons eigen productievolume ook ingevoerd. De aardbeien die je in de supermarkt koopt, zijn meestal van eigen kweek of van Nederland, maar in het voorjaar kunnen ze ook al eens van Spanje komen, en anders nog van Frankrijk of Polen. Kijk dus zeker altijd op de verpakking, als je zeker wil zijn dat je inlandse aardbeien koopt.

De meeste van die inlandse aardbeien zijn van het ras Elsanta. Andere rassen als Clery, Darselect, Portola, Sonata en Figaro worden hier veel minder geteeld. BioForum Vlaanderen voerde vorig jaar nog actie tegen deze “verschraling van het aanbod”. Een grote aardbeismaaktest met 300 proefpersonen in Leuven wees toen uit dat Elsanta, het standaardras, het minst in de smaak viel (!). Maar over smaken discussiëren wij niet. We zijn al lang blij dat we weer kunnen genieten van onze coupe fraise. Als tenminste het weer eens wat beter wordt…

 

Meer informatie: www.mijnflandria.be, www.veilinghoogstraten.be, www.proefcentrum.be, Provinciaal Proefcentrum voor Kleinfruit Pamel (054 32 08 46)

 

In de reeks ‘Op de rooster’ brengt Veldverkenners de milieu- en dier(on)vriendelijkheid van een product of subsector in kaart.

Lees nog artikels met volgende tags

aardbei, milieu, teeltreportage
Aangemaakt op 16:28 23/05/2013 Laatst aangepast op 16:02 15/04/2014