Ontdek, proef en beleef het platteland van morgen
/gratis-abonnement
Denk-pistes

Groenten, vlees of bloemen: wat produceren onze boeren?

Vlaanderen telde in 2013 exact 24.252 land- en tuinbouwbedrijven. Wat produceerden zij, en om hoeveel ton of liter ging het? We zochten het uit in ons nieuwe boekje (‘Wie zijn onze boeren, en wat produceren ze?’), en vatten het hier nogmaals voor je samen.

 

Land- en tuinbouwbedrijven kunnen verschillende dingen produceren, die voor verschillende toepassingen bruikbaar zijn (niet alleen als voeding, maar ook als voeder, als biomassa voor brandstof/warmte/energie en als grondstof voor allerlei industrieën – meer daarover lees je in ons boekje ‘Van Anorak tot Zonnecrème’). Grofweg kunnen hun activiteiten echter onderverdeeld worden in akkerbouw, tuinbouw en veeteelt:

  • Akkerbouw is de productie van granen, aardappelen, nijverheidsgewassen (bv. suikerbieten, vlas, hop) en gras (weiland).
     
  • Tuinbouw is de productie van groenten, fruit, bomen, heesters, kamerplanten en bloemen.
     
  • Veeteelt is de productie van vlees, eieren en melk. Vlees kan afkomstig zijn van runderen, varkens, pluimvee, of schapen; melk van koeien, geiten, paarden en ezels.

 

Is Vlaanderen een akkerbouw-, tuinbouw- of veeteeltregio?

Het antwoord op die vraag is niet zo eenduidig. Vroeger (voor 1800) was ons land duidelijk een akkerbouwstreek. Dat leerden we al in een van onze vorige boekjes (‘Terug in de tijd met Veldverkenners): landbouw bestond vooral uit kleinschalige akkerbouw voor eigen gebruik, en dieren werden gehouden voor trekkracht en mest eerder dan voor melk- of vleesproductie. Dat veranderde echter in de loop van de 19de eeuw, als gevolg van de industrialisering, vrijmaking van de graanmarkt, enzovoort. Het belang van akkerbouw nam af en dat van veehouderij en tuinbouw nam toe. (Meer over die evolutie en de oorzaken daarvan, lees je in bovengenoemd boekje.)

Hoe verhouden die sectoren zich vandaag dan ten opzichte van elkaar? Uitgedrukt in ruimte en aantal bedrijven blijft akkerbouw de belangrijkste activiteit - weliswaar inclusief de productie van voeder voor de veehouderij. Uitgedrukt in productiewaarde (de waarde van de totale productie van de verschillende sectoren) is veehouderij echter de grootste:

  • Akkerbouw neemt in Vlaanderen het meeste plaats in, en dan vooral voor de productie van voeder- en graangewassen (79%). Groenten in openlucht nemen veel minder ruimte in beslag, maar nog steeds meer dan groenten in serres, fruit en sierteelt. Let wel: hoeveel ruimte veeteelt in beslag neemt (behalve voor de productie van voedergewassen en gras), weten we niet – het belang van veeteelt wordt in aantal dieren in plaats van hectare uitgedrukt: Vlaanderen telde in 2013 1,3 miljoen runderen, 6,2 miljoen varkens, 30,8 miljoen stuks pluimvee, 68.865 schapen, 27.900 geiten en 24.734 paardachtigen.
     
  • Uitgedrukt in aantal bedrijven is akkerbouw eveneens de grootste activiteit, met de productie van voedergewassen (70% van de bedrijven) voorop. Veeteelt volgt op de tweede plaats, met rundveehouderij als grootste poot.
     
  • Uitgedrukt in productiewaarde is veehouderij de belangrijkste sector (60%), gevolgd door tuinbouw (29%) en dan pas akkerbouw (11%). Concreet genereerde de varkenshouderij in 2013 bij uitstek de waardevolste productie (1,6 miljard euro). De melkveehouderij was als tweede belangrijkste op dat vlak amper de helft waard (799 miljoen euro).

 

Om hoeveel ton of liter gaat het?

In totaal produceerde de Vlaamse land- en tuinbouw in 2015 voor 5,5 miljard euro aan gewassen, vlees, eieren en melk. Hoeveel flessen melk en hoeveel koteletten zijn dat? We hebben niet voor alle categorieën cijfers gevonden, maar wel voor deze. Opgelet, het gaat om Belgische productiecijfers, niet om Vlaamse (!). Ter vergelijking geven we ook enkele Europese productiecijfers mee, en onze zelfvoorzieningsgraad.

 

productiecijfers-belgie-europa-VV-B7.jpg

Grafiek: Belgische en Europese productiecijfers, 2012 en 2013

 

Opgelet: De productie van vlees wordt uitgedrukt in ton slacht- of karkasgewicht. Dat is het gewicht van het dier gewogen onmiddellijk na de slacht. Kop, huid, hoeven, darmen en dergelijke zijn al verwijderd, maar beenderen niet. Bovendien is er na de slacht nog wat vocht- en snijverlies. Het eigenlijke gewicht aan vlees dat overblijft, ligt dus een pak lager. Ter illustratie: de gemiddelde Belg verbruikte in 2013 86 kilogram vlees uitgedrukt in karkasgewicht, maar at daarvan slechts 57 kilogram daadwerkelijk op (eetbare delen).

 

zelfvoorzieningsgraad-belgie-VV-B7.jpg

Grafiek: Belgische zelfvoorzieningsgraad, 2013

 

 

Meer over het hoe, wat, wie en waarom van de Vlaamse land- en tuinbouw vandaag, lees je in ons boekje ‘Wie zijn onze boeren, en wat produceren ze?’. Je kan het online lezen of via een pakket papieren exemplaren (vanaf 5) aanvragen.
 

Aangemaakt op 12:30 06/05/2016 Laatst aangepast op 11:07 02/06/2016