Ontdek, proef en beleef het platteland van morgen
/gratis-abonnement
Denk-pistes

De Glyfosaat-saga: alles op een rijtje

Iemand die nog weet hoe het zit met glyfosaat en wat nu wel en niet mag? Ook wij zijn het spoor bijster. Daarom zetten we even alles op een rijtje. Maar oordelen of het product wel of niet moet worden toegelaten, doe je zelf.

 

Wat is glyfosaat?

Glyfosaat is de actieve stof in onkruidbestrijders van het genre Roundup. Roundup is het grote succesnummer van de Amerikaanse multinational Monsanto. Hoewel glyfosaat al meer dan 40 jaar bestaat, blijft Roundup wereldwijd de meest verkochte onkruidbestrijder. Dat heeft onder meer te maken met de effectiviteit ervan – producten met glyfosaat zoals Roundup doden planten tot in de wortel – maar ook met de wijdverspreide teelt van resistente ggo-gewassen zoals soja, katoen en maïs buiten Europa. Doordat die gewassen resistent zijn tegen Roundup kunnen boeren het middel spuiten op een begroeid perceel: het onkruid sterft maar de gewassen blijven overeind.

Aangezien die resistentie ggo-gewassen niet geteeld mogen worden in Europa, zijn dat praktijken die je hier niet ziet. Landbouwers in Vlaanderen gebruiken het middel voor of na de teelt, om een veld ‘proper’ te zetten. Als ze het zouden spuiten op een perceel waar gewassen groeien (zoals soms gezegd wordt in de media), zou niet alleen het onkruid maar ook de gewassen sterven. Glyfosaat is immers een niet-selectieve herbicide. Dat maakt het dan weer wel geschikt om bijvoorbeeld een weiland om te vormen tot een akker. Kom je ergens een oranje weide tegen, dan werd dat perceel behandeld met een product zoals Roundup. Het dode gras wordt daarna ondergeploegd en er wordt iets anders op gezaaid of geplant.

Tot 2000 had Monsanto een patent en dus het alleenrecht op glyfosaat. Maar sindsdien is Roundup niet meer de enige producent. Ook in producten voor particulieren wordt glyfosaat vaak gebruikt.

 

veld-plant-zonder-onkruid-800x450.jpg

 

Wat is er aan de hand?

Voor elke actieve stof in gewasbeschermingsmiddelen hebben fabrikanten in Europa een markttoelating nodig. Die van glyfosaat is aan vernieuwing toe – de vorige vergunning dateerde van 2002 en gold voor 15 jaar, de huidige geldt slechts tijdelijk tot eind dit jaar.

Maar door de controverse die ontstaan is rond het product, raken de Europese lidstaten het niet eens over de modaliteiten van zo’n nieuwe vergunning. Het voorstel van de Europese Commissie (EC) dat nu op de tafel ligt, betreft een verlenging met 5 jaar – niet 10 jaar zoals eerder voorgesteld.

Belgisch minister van Landbouw Denis Ducarme liet al verstaan dat België voor een vergunning van 5 jaar zal stemmen, maar mét uitdoofregeling. Dat wil zeggen dat het product op 5 jaar tijd effectief van de markt moet zijn. Zo’n regeling houdt volgens Ducarme “zowel rekening met de maatschappelijke bezorgdheden voor volksgezondheid en leefmilieu als met de economische afhankelijkheid van de landbouwsector”.

Met dat laatste verwijst Ducarme naar het feit dat de gangbare landbouw vandaag over weinig alternatieven beschikt die even effectief zijn. Maar op vijf jaar tijd zouden die er volgens hem dus wél moeten zijn.

Los van die Europese markttoelating besliste Vlaams minister van Leefmilieu Joke Schauvliege vorig jaar al om het gebruik van glyfosaat voor particulieren te verbieden. Aanleiding vormde het nieuws dat Monsanto studies die de onschuld van glyfosaat bewijzen gemanipuleerd zou hebben (de zogenaamde Monsanto Papers, zie VILT

Een eventuele verlenging van de Europese markttoelating voor glyfosaat verandert trouwens niets aan dit gebruiksverbod voor particulieren – dat blijft overeind. Een nieuwe vergunning heeft alleen invloed op het gebruik door landbouwers. Gebruik door openbare besturen en bedrijven was overigens al verboden sinds 2015.

 

Glyfosaat, kankerverwekkend of niet?

Ongeveer 45 procent van het voedsel dat wij consumeren, bevat volgens de Europese Voedselveiligheidsautoriteit (EFSA) residuen van bestrijdingsmiddelen. Hoewel het leeuwendeel van die residuen volgens EFSA onder de veiligheidsdrempels ligt, blijft het een bron van bezorgdheid. Zeker wanneer er twijfel heerst over de effecten ervan op de volksgezondheid. En inzake glyfosaat zijn die twijfels de laatste jaren sterk toegenomen.

De discussie is losgebarsten toen het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek (IARC), een agentschap van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de stof in 2015 classificeerde als ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’. Wat volgde was een welles-nietesdiscussie tussen agentschappen en wetenschappers. Zo lijkt het toch op het eerste gezicht, want eigenlijk hebben ze allemaal gelijk. Dat komt omdat ze andere methoden gebruiken maar vooral omdat ze zich buigen over een andere vraag: ‘is er een potentieel gevaar?’ versus ‘is er een risico bij normaal gebruik?’. De partijen die deze rapporten gebruiken om hun stelling te bewijzen, negeren dat verschil. Ze vertrekken immers van een ander wereldbeeld. Of hoe filosoof Ruben Mersch het in een opiniestuk in De Standaard schrijft:

“Je neemt twee botsende wereldbeelden, voegt er voldoende wetenschappelijke onzekerheid aan toe en werkt het geheel af met wat vermoedens van belangenvermenging. Het resultaat is een ideologische stammenoorlog. Een stammenoorlog waarin redelijkheid en nuance vaak de eerste slachtoffers zijn. (…) Beide stammen hebben zich tot de tanden gewapend met feiten. En de hofleverancier van die feiten, de wetenschap, lijkt hen allebei munitie te geven.”

Erg verwarrend allemaal. Het is niet zomaar dat intussen de term glyfosaga circuleert. Om wat klaarheid te scheppen, zetten we de voornaamste rapporten op een rij:


Het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek IARC (adviesorgaan WHO), advies uit 2015

  • Oordeel: ‘Glyfosaat en zijn hulpstoffen zijn waarschijnlijk kankerverwekkend voor de mens’. In dierproeven vond IARC voldoende bewijzen en in onderzoeken naar blootstelling van de mens vond het beperkte bewijzen dat het middel onder bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld bij lange blootstelling aan erg hoge dosissen, kanker zou kunnen veroorzaken. IARC plaatste glyfosaat daarom in de categorie 2A, waartoe ook werken als kapster, nachtwerk, rood vlees en barbecueën behoren. Ook van die zaken zegt IARC dat het onder bepaalde omstandigheden kanker zou kunnen veroorzaken.
     
  • Methode: IARC baseerde zich op een uitgebreide literatuurstudie, maar alleen van publiek beschikbare onderzoeken. Studies in opdracht van fabrikanten (niet-publiek omdat ze mogelijk bedrijfsgeheimen bevatten) werden uit de selectie geweerd. IARC onderzocht bovendien het intrinsieke gevaar van de stof: is het potentieel gevaarlijk? Daarbij keek het niet naar een normaal gebruik in een normale situatie.


De Europese Voedselveiligheidsautoriteit EFSA (adviesorgaan EC), advies uit 2015 

  • Oordeel: ‘Noch epidemiologisch onderzoek bij de mens, noch studies bij proefdieren tonen aan dat glyfosaat (zonder hulpstoffen) bij correct gebruik (!) kankerverwekkend is, mutagene eigenschappen vertoont en een toxisch effect heeft op de vruchtbaarheid van de mens, op de voortplanting of embryonale ontwikkeling.’ Met andere woorden: ‘het is onwaarschijnlijk dat glyfosaat bij mensen kanker veroorzaakt, als de regels rond de maximale blootstelling gerespecteerd worden’.
     
  • Methode: EFSA baseerde zich op een rapport van het Duitse onderzoeksinstituut BfR, dat zowel publieke studies als studies in opdracht van fabrikanten bespreekt. In totaal zou het gaan om 3.200 studies. Volgens critici heeft EFSA een aantal ‘overtuigende studies’ met muizen dan weer buiten beschouwing gelaten. Daarenboven spreekt EFSA zich uit over het risico op kanker bij correct gebruik, volgens de juiste dosis enzovoort.


Het Joint Meeting on Pesticide Residues JMPR (adviesorgaan FAO en WHO), advies uit 2016

  • Oordeel: ‘Het is weinig waarschijnlijk dat glyfosaat tot een risico op kanker leidt bij mensen die er via hun voeding aan worden blootgesteld. De concentraties in onze voeding zijn laag’.
     
  • Methode: JMPR baseerde zich op een literatuurstudie van zowel publiek beschikbare studies als studies in opdracht van de fabrikanten. Het houdt daarbij rekening met het risico op blootstelling, maar alleen via voeding. Het specifieke risico dat bijvoorbeeld een landbouwer loopt bij het toedienen van de chemische stof op zijn velden werd niet geëvalueerd (omdat het niet behoort tot het mandaat van de JMPR).


Het Europees agentschap voor chemische stoffen ECHA (adviesorgaan EC), advies uit 2017

  • Oordeel: ‘Glyfosaat is niet kankerverwekkend, noch mutageen noch gevaarlijk voor de voortplanting (lees: niet hormoonverstorend). Het is wél gevaarlijk voor de ogen wanneer de gebruiker ermee in contact komt, en het is schadelijk voor het milieu wanneer het in het oppervlaktewater terechtkomt. De actieve stof heeft namelijk een langdurig schadelijk effect op het waterleven.’
     
  • Methode: ECHA baseerde zich op een literatuurstudie van zowel publiek beschikbare studies als studies in opdracht van de fabrikanten, evenals op de evaluatie van het eigen Risk Assessment Committee en een publieke consultatieronde (waarop ECHA bijna 300 reacties ontving). En net als het EFSA deed ECHA een risicobeoordeling op basis van een correct gebruik.


Beide kampen in de discussie voelen zich voldoende gesteund door de wetenschap om hun eisen te rechtvaardigen:

  • Milieuorganisaties zoals Greenpeace en de Europese Groenen in het parlement vragen de Commissie en lidstaten om het voorzorgsprincipe te hanteren - zoals ze dat ook altijd gedaan hebben bij ggo’s. Zolang er onenigheid of onduidelijkheid is over de effecten ervan, moet de stof volgens hen verboden worden.
     
  • De gewasbeschermingsmiddelenindustrie daarentegen vraagt Europa om bij de risicobeoordeling de wetenschap te volgen, “in plaats van de emotie”. Ze benadrukken het grote aantal wetenschappelijke studies (“90.000 pagina’s en 3.300 peer-reviewed studies”, aldus Phytofar) dat de veiligheid van glyfosaat aantonen en verwijten tegenstanders dat ze er een ‘emotionele en politieke zaak’ van maken.

 

onkruid-paardenbloem-800x400.jpg

 

Ben je nog mee?

Een voorbeeld om het verschil tussen de vraag ‘is er gevaar?’ en de vraag ‘is er een risico?’ duidelijk te maken:

Van zonlicht is geweten dat het kankerverwekkend is voor de mens. Dit wil niet zeggen dat we niet meer buiten mogen komen overdag, maar wel dat we voorzichtig moeten zijn op zonnige dagen en ons moeten beschermen met zonnecrème. Zonlicht is met zekerheid kankerverwekkend en valt daarom volgens IARC in categorie 1. In het geval van glyfosaat voegt IARC er het woord ‘waarschijnlijk’ aan toe en daarmee belandt de chemische stof in categorie 2A. Zijn net zoals glyfosaat ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ voor de mens: het werken als kapster, nachtwerk, rood vlees en barbecueën. En koffie, een dagelijks product voor veel mensen, staat in categorie 2B te boek als ‘mogelijk kankerverwekkend’.

Ter info: IARC wil met zijn classificaties vooral bewustwording creëren en de maatschappij aanzetten tot een ‘verantwoord gebruik’. Sinds 1971 heeft het agentschap zo al honderden producten, levenswijzen, werkplaatsen, natuurlijke en chemische stoffen tegen het licht gehouden. Er vloeien aanbevelingen uit voort, zoals ‘zonnecrème smeren’ en ‘koffie met mate drinken’.

 

Wat met glyfosaat in de bodem?

Relatief nieuw (en onderbelicht) in de discussie is het feit dat resten van glyfosaat in landbouwbodems te vinden zijn. Een internationale groep wetenschappers onder leiding van Wageningen Universiteit brachten dat recent nog naar buiten. Ze onderzochten meer dan 300 bodemstalen uit 10 Europese landen en kwamen tot de conclusie dat 45 procent daarvan glyfosaat of AMPA (het meest stabiele afbraakproduct) bevatten. De concentraties AMPA lagen hoger dan de glyfosaatconcentraties en bedroegen in sommige stalen tot 2 milligram per kg. Ter vergelijking: er bestaat niet zoiets als een bodemnorm voor glyfosaat, maar de toegelaten dagelijkse blootstelling van een mens aan glyfosaat bedraagt 0,5 milligram per kg lichaamsgewicht.

“Glyfosaat en AMPA hechten zich vast aan bodempartikels en blijven zo circuleren in ons ecosysteem”, aldus de onderzoekers. Welke gevolgen dit heeft, is (nog) niet met zekerheid te zeggen. In tegenstelling tot neonicotinoïden, die intussen verboden zijn in Europa, is van glyfosaathoudende middelen bijvoorbeeld niet bewezen dat ze schadelijk zijn voor insecten. Maar het is onwaarschijnlijk dat de residuen in de bodem helemaal géén effect hebben, gezien het ecosysteem zo complex in elkaar zit.

Van het effect op het waterleven is wél geweten dat het schadelijk is. En in een studie (2012) naar de aanwezigheid van glyfosaat in oppervlaktewater in Europa, werd in een derde van 75.000 stalen glyfosaat aangetroffen (in concentraties tot meer dan 300 microgram per liter), en in de helft van 57.000 stalen AMPA (in concentraties tot meer dan 200 microgram per liter). Ter vergelijking: de toegelaten norm voor glyfosaat in drinkwater in Europa bedraagt maximaal 0,1 microgram per liter.

Via de bodem en via het water komt de stof ook in koeien, in melk en uiteindelijk in Ben & Jerry’s-ijs terecht. Dat bleek onlangs uit een studie van ngo’s die zich tegen glyfosaat kanten. Dertien van de 14 stalen uit Frankrijk, Nederland, Duitsland en Groot-Brittannië testten positief. De aangetroffen hoeveelheden waren weliswaar erg klein (tot 1,228 nanogram per ml), maar zo’n ontdekking voedt natuurlijk de maatschappelijke ongerustheid. 

 

omgeploegde-akker-800x450.jpg

 

Belangenvermenging?

Wat de zaak nog complexer maakt, is het feit dat wetenschappers soms zowel voor onafhankelijke instellingen werken als voor fabrikanten, al dan niet op andere tijdstippen. Dat wordt beschouwd als belangenvermenging. In een artikel op MO* lezen we bovendien dit: 

Het geruststellende oordeel van EFSA is gebaseerd op een rapport van het Duitse Bundesinstitut für Risikobewertung (BfR). Niet de Europese beleidsmakers hebben die opdracht toevertrouwd aan BfR, maar de fabrikanten. Het kiezen van het instituut is blijkbaar een voorrecht dat een EU-verordening de makers biedt. Bovendien is het vuistdikke rapport van het Duitse rijksinstituut in feite de evaluatie zoals beschreven door de Glyphosate Task Force, dat zijn de fabrikanten van glyfosaat, aangevuld met commentaar van BfR. “Dit is de normale manier van werken”, vernam MO* bij BfR. Het is trouwens ook diezelfde task force die de selectie van wetenschappelijke literatuur heeft gemaakt. “Het is in Europa wettelijk zo geregeld dat de bedrijven die goedkeuring voor een bestrijdingsmiddel zoeken, zelf een dossier samenstellen”, klinkt het.

Ook Corporate Europe Observatory, een ngo die zich bezighoudt met het blootleggen van belangenvermenging en lobbywerk, heeft zich al openlijk vragen gesteld over de geloofwaardigheid van het Duitse rapport waarop EFSA zich baseerde. Drie leden van BfR zijn namelijk ex-medewerkers van BASF en Bayer, twee belangrijke fabrikanten van gewasbeschermingsmiddelen. Dit wantrouwen tegenover BfR en EFSA wordt tot slot nog gevoed door het feit dat ze lange tijd niet alle studies wilden vrijgeven, omwille van eventuele bedrijfsgeheimen.

Het verhaal lijkt in ieder geval een staartje te krijgen. De Europese sociaaldemocraten (de tweede grootste fractie) in het Parlement roepen intussen op tot een bijzondere commissie die in kaart moet brengen hoe de goedkeuringsprocedures van gewasbeschermingsmiddelen verlopen. Onder meer de rapporten van ECHA en EFSA over glyfosaat zouden tegen het licht gehouden worden. “Het is de bedoeling dat we het hele beslissingsproces in kaart kunnen brengen, de transparantie van de instellingen kunnen verhogen en de onafhankelijkheid van het wetenschappelijk onderzoek kunnen verzekeren”, zei Europees parlementslid Kathleen Van Brempt (sp.a) daarover.

 

Glyfosaat, het symbooldossier

Het feit dat het glyfosaatdossier in Europa voor zoveel ophef zorgt, heeft natuurlijk niet alleen met de eigenschappen van het middel zelf te maken. Gelijkaardige dossier hebben nooit tot eenzelfde debat geleid. Maar glyfosaat is een symbooldossier geworden, net als ggo’s dat zijn. Beide staan symbool voor een politiek en landbouwmodel waar een groeiende groep Europeanen de buik van vol heeft.

De afkeer tegenover multinationals en Monsanto in het bijzonder groeit. Dat het bedrijf gesjoemeld zou hebben met wetenschappelijke studies die de veiligheid van glyfosaat bewijzen (de Monsanto Papers), heeft daar nog toe bijgedragen. Al gaat het maar om het plaatsen van een naam onder een document, een zogenaamd subtiele beïnvloeding… door dergelijke praktijken heeft Monsanto de publieke opinie tegen.

Het beleid van het bedrijf strookt ook niet met de visie van Europa op landbouw. Monsanto staat symbool voor een industriële landbouw met winstmaximalisatie en monocultuur, terwijl in Europa steeds meer stemmen opgaan voor een agro-ecologische landbouw die zorg voor de bodem centraal stelt.

Tot slot is er wat wetenschappers chemonoia noemen: onze irrationele angst voor chemicaliën, zeker in voeding. Het zou evolutionair bepaald zijn. Mensen kijken anders naar voeding dan naar hun huis bijvoorbeeld. Alles in huis moet digitaal en slim zijn, maar alles op ons bord moet natuurlijk zijn.

 

sproeien-800x450.jpg

 

Als het zo’n slecht imago heeft, waarom gebruiken boeren het dan nog?

Glyfosaat wordt zoals gezegd voornamelijk voor of na een teelt gebruikt, tegen hardnekkige onkruiden en grassen. In sommige lidstaten (bv. Denemarken, Duitsland en Groot-Brittannië) wordt het ook gebruikt om graan (vooral brouwgerst) gelijkmatiger te doen afrijpen net voor de oogst, maar in België is dat al 30 jaar geen gangbare praktijk meer. In de graanteelt wordt het hier na de oogst gebruikt, om de onkruiddruk tijdens het volgende seizoen te beperken. Dit zou heel efficiënt zijn: “één keer de perceelsranden behandelen volstaat vaak”, wordt ons verteld. Voor diep wortelende onkruiden is er geen beter alternatief, horen we nog.

Mechanisch bestrijden dan, zoals in de biolandbouw? Dat kan, maar “in plaats van eenmaal glyfosaat te spuiten, zou ik de grond (mechanisch) meerdere keren moeten bewerken met een cultivator. Niet alleen jaagt dat het brandstofverbruik van de tractor de hoogte in, maar er is ook geen garantie dat de wortel volledig afsterft”, vertelt akkerbouwer en voorzitter van boerenorganisatie ABS Hendrik Vandamme. Bovendien is het veel arbeidsintensiever en – laten we een kat een kat noemen – in de gangbare landbouw wordt dat niet vertaald in een hogere prijs, zoals dat bij bio-landbouw wel het geval is.

Verder is intussen geweten dat het veelvuldig bewerken van de bodem met zware landbouwvoertuigen nefast is voor de bodemvruchtbaarheid. Hoe minder ‘werkgangen’ er zijn, hoe beter. Op zware grond zoals in de polders is het volgens Vandamme trouwens erg moeilijk om grote onkruiden onder te ploegen. “En met een oppervlakkige (niet-kerende) bodembewerking krijg je grote onkruiden niet klein.” Sterker nog, op hardnekkige onkruiden zoals akkerdistel zou dat averechts kunnen werken, omdat elk stukje wortelstok dat achterblijft het volgende jaar opnieuw gaat groeien en een nieuwe distelplant vormt.

Je zou kunnen denken dat landbouwers dus met de handen in de haren zitten nu de verlenging van de vergunning van glyfosaat op de helling staat. Maar eigenlijk maakt het hen niet uit welke behandeling ze gebruiken, “als het maar veilig en efficiënt is”. “We gaan ervan uit dat glyfosaat veilig ís, omdat onveilige producten in het verleden telkens van de markt zijn gehaald”, vertelt akkerbouwer en ondervoorzitter van Boerenbond, Chris Coenegrachts.

Ook Vandamme blijft er nuchter onder: “Onderzoek en ontwikkeling in de chemie staan niet stil. Er zullen nieuwe actieve stoffen komen zoals er op basis van verfijnde detectiemethodes en voortschrijdend inzicht oude geschrapt worden. Dat is van alle tijden. Zoals er geneesmiddelen voor mensen zijn, zullen gewasbeschermingsmiddelen nodig blijven voor planten. Misschien gebruiken we in de toekomst wel meer bestrijdingsmiddelen die gebaseerd zijn op natuurlijke stoffen. Eén ding is zeker: omdat labo-analyses steeds preciezer worden en erkenningsprocedures almaar strenger, worden ook de middelen almaar veiliger.”

 

Waarom boeren wel en particulieren niet?

Nogmaals voor alle duidelijkheid: de discussie over het verlengen van de vergunning voor glyfosaat waarover nu gediscussieerd wordt op Europees niveau, heeft geen impact op het verbod op particulier gebruik. Als de toelating verlengd wordt, geldt dit in Vlaanderen enkel voor professionele gebruikers – de boeren.

Waarom zouden zij het nog wel mogen gebruiken en particulieren niet? Dat is een delicate kwestie – of toch niet. Boeren worden immers opgeleid om zorgvuldig met gewasbescherming om te springen. Ze moeten een licentie hebben, waarvoor ze zich regelmatig moeten bijscholen, én een lokaal waar de producten veilig achter slot en grendel opgeborgen staan. Daarenboven werken ze met gespecialiseerde spuittoestellen die zo gericht mogelijk de juiste dosis aanbrengen. Dit alles moet de impact van het gebruik minimaliseren. Niet onbelangrijk, want boeren blijven de grootste gebruikers. Op jaarbasis spuiten Belgische landbouwers circa 150 ton glyfosaat, terwijl alle particulieren samen slechts 41 ton verbruiken.

Particulieren gebruiken dus veel minder glyfosaat. De impact daarvan zou kleiner moeten zijn. Maar uit onderzoek blijkt dat ze de producten vaak op een verkeerde manier toedienen. Ze worden er in tegenstelling tot boeren immers niét voor opgeleid. Overdosering is zo’n hardnekkig probleem, dat producten in doe-het-zelf-zaken steeds vaker ‘gebruiksklaar’ (dus aangelengd met water) verkocht worden, of uitgerust worden met speciale doseersystemen. Maar ook bij het weggieten van restjes loopt het vaak fout. Glyfosaat komt zo in onze riolen terecht, en in veel gevallen ook in het oppervlaktewater. Volgens de Vlaamse Milieumaatschappij is waterverontreiniging door herbiciden dan ook vooral afkomstig van bronnen buiten de landbouw. En dat is verontrustend, want zoals je hierboven kan lezen is glyfosaat volgens ECHA langdurig schadelijk voor het waterleven.

Tot slot zijn particulieren voor hun inkomen niet afhankelijk van hun oogst zoals landbouwers dat wel zijn. Een verbod voor particulieren kan dus veel sneller (zonder uitfasering) doorgevoerd worden dan een verbod voor landbouwers.

 

bloempot-met-hartje-800x450.jpg

 

De toekomst: biociden?

De gewasmiddelenindustrie voelt de bui al een tijdje hangen en is niet bij de pakken blijven zitten. Onderzoek naar biociden zit in de lift. Biociden of biopesticiden zijn gewasbeschermingsmiddelen op basis van natuurlijke of biologische actieve stoffen (organismen, virussen en bacteriën). In België zijn momenteel zo’n 100 biociden te koop, op basis van een 30-tal werkzame stoffen.

Maar gewasbeschermingsmiddelen op basis van biologische stoffen krijgen nog vaak geen markttoelating, omdat ze minder doeltreffend zijn dan hun chemische tegenhangers. Biopesticiden maken wereldwijd ook nog maar 5 procent uit van de markt. In België gaat het om 18 procent.

Er is dus nog werk aan de winkel. Belangrijkste werkpunt: hun doeltreffendheid. Onze universiteiten en proefcentra hebben intussen een onderzoeksproject op gang getrapt om die bottleneck aan te pakken. En ook de sector van gewasbeschermingsmiddelen zelf beseft dat biociden de toekomst zijn (lees bv. VILT). 

Opmerking: het is niet omdat een werkzame stof biologisch is, dat ze per definitie een laag risico vormt voor het leefmilieu en de gezondheid. In Europa krijgen stoffen met een laag risico een speciaal statuut, waardoor hun erkenning vlotter verloopt. Maar niet alle biologische werkzame stoffen dragen dat statuut (momenteel slechts 6 van +- 30).

 

In eigen tuin: hoe doe je het zonder? (en hoe niet?)

Uit een bevraging door de Vlaamse Milieumaatschappij blijkt dat iets minder dan de helft van de Vlamingen nog chemische gewasbeschermingsmiddelen gebruikt in de tuin of op de oprit. Maar van die gebruikers is meer dan de helft op zoek naar alternatieven.

Gebruik zeker geen azijn, javel of zout als alternatief, want de milieuschade daarvan kan wel eens groter zijn dan die van glyfosaat. Pesticidenexpert Geert Gommers van de ecologische tuindervereniging Velt: “Azijn en herbiciden op basis van azijnzuur zijn schadelijk voor waterorganismen. Je mag ze dus niet gebruiken in de buurt van waterlopen, afvoerputjes en riolen. Azijn is ook schadelijk voor bijen dus gebruik je het ook niet in de buurt van bloeiende planten.”

Zout lijkt onschuldig, maar regelmatig gebruik doet de bodem verzilten. Het gevolg is dat alleen zoutminnende planten overleven en het aantal plantensoorten daalt. Gommers voegt er nog aan toe dat zout voor een fysiologisch droog milieu zorgt, ook al is er geen sprake van werkelijke droogte.

Javel is ook geen goed idee, want de actieve stof natriumhypochloriet is zeer giftig voor al het leven in water en bodem.

Branders tot slot zijn evenmin onschuldig, omwille van het risico op brand – zeker tijdens de zomer. De brandweer heeft hier al meermaals voor gewaarschuwd.

Hoe het wél moet, lees je in ons artikel ‘Onkruid bestrijden zonder pesticiden’. 

 

mechanische-onkruidbestrijding-in-de-tuin-800x450.jpg

 

Bron: VILT, Follow the money, De Standaard 

Lees nog artikels met volgende tags

glyfosaat, gewasbescherming, landbouw, Europa
Aangemaakt op 16:08 09/11/2017 Laatst aangepast op 15:54 15/11/2017